Hersenen en gedrag: de kracht van de natuur

Dr. Judith Homberg
Universitair Hoofddocent Cognitive Neurosciences
Radboud Universiteit Nijmegen

Het is alom bekend dat ons gedrag wordt vorm gegeven door een interactie tussen onze genen en omgevingsfactoren. In psychiatrische aandoeningen zijn deze gen x omgeving interacties uit de hand gelopen en vertonen patiënten gedragingen die niet passen binnen de normen en waarden van onze maatschappij. Ondanks dat we weten dat vrijwel alle psychiatrische aandoeningen het resultante zijn van een ongelukkige combinatie van genen en omgeving wordt er van dit feit nog maar weinig gebruik gemaakt in de behandeling van patiënten. Dat wil zeggen, er wordt geen rekening gehouden met individuele verschillen tussen patiënten met dezelfde aandoening en iedereen krijgt dezelfde behandeling. Vaak zijn dat (dure) medicijnen, en soms gedragstherapieën. Dat is jammer, want inzicht in gen x omgeving interacties biedt op vrij eenvoudige wijze een meer geïndividualiseerde behandeling van psychiatrische aandoeningen met een langdurig effect. Dit kan ik het beste uitleggen aan de hand van het volgende voorbeeld. Het menselijk genoom bevat diverse vormen van variatie, waaronder zogenaamde polymorfismen. Een polymorfisme is een gen mutatie dat in meer dan 1 % van de populatie voorkomt. Een heel bekend polymorfisme is het serotoninetransporter polymorfisme. De serotoninetransporter is een eiwit dat verantwoordelijk is voor de regulatie van de hoeveelheid serotonine – een boodschapperstofje – in de hersenen. Serotonine speelt een belangrijke rol in talrijke hersenfuncties, zoals de regulatie van emotionele en cognitieve processen, en doet dit waarschijnlijk door de gevoeligheid voor omgevingsfactoren te verhogen1. Ongeveer 20% van de westerse populatie heeft het zogenaamde korte allel van het serotoninetransporter polymorfisme, en deze mensen zijn vaker emotioneel. Wanneer dragers van het korte allel worden blootgesteld aan stress op jonge leeftijd hebben zij een verhoogde kans om depressief te worden. Er wordt heel veel aandacht besteed aan deze ‘negatieve’ gen x omgeving interacties, terwijl er weinig aandacht is voor de reden waarom we überhaupt dit polymorfisme hebben. Het is niet erg aannemelijk dat dit polymorfisme in stand wordt gehouden als het alleen maar negatieve effecten heeft. Immers, depressieve mensen produceren doorgaans minder nakomelingen. Er moet dus een andere reden zijn waarom we dit polymorfisme bij ons dragen. De recente gedachte is dat dit (en diverse andere veel voorkomende) polymorfisme niet alleen onze gevoeligheid voor negatieve stimuli uit de omgeving verhoogt, maar ook positieve stimuli. De verhoogde gevoeligheid voor omgevingsstimuli kan mensen met het korte allel een evolutionair voordeel geven, omdat ze zich dan beter kunnen aanpassen aan veranderingen in de omgeving. Dat zou betekenen dat wanneer een persoon met het korte allel een depressie ontwikkelt t.g.v. nare gebeurtenissen, hij/zij ook de mogelijkheid heeft om de depressie te boven te komen onder positieve omstandigheden, bijv. een ondersteunende sociale omgeving. Enkele humane studies suggereren dit inderdaad1. Ook hebben wij dat aangetoond in een studie met proefdieren, ratten. Zowel mensen met het korte allel van het serotoninetransporterpolymorfisme als serotonine transporterknockoutratten (ratten zonder serotoninetransporter) hebben problemen met het uitdoven van een eenmaal aangeleerde emotionele reactie op een aversieve stimulus. Dit is een kenmerk van post-traumatische stress stoornis (PTSS). PTSS patiënten worden behandeld m.b.v. een ‘exposure’ therapie, welke het uitdoven van de emotionele reactie moet bevorderen. Echter, dit werkt dus niet in mensen met het korte allel, en ook niet in de knockoutratten. Wij hebben gevonden dat wanneer we de aandacht van de knockoutratten afleidden met een stimulus die een suiker klontje voorspelde de knockoutratten wel een uitdoving van de emotionele reactie vertoonden2.

Wij hopen dat deze simpele, maar doeltreffende ‘afleiding’-therapie, waarbij gebruik gemaakt wordt van de impact van de omgeving op het gedrag, verder uitgetest zal worden in psychiatrische patiënten. In feite wordt het al toegepast: drugsverslaafden worden bijvoorbeeld geadviseerd om een hobby te nemen, om de aandacht af te leiden van de verslavende middelen. Alleen wordt nog geen rekening gehouden met het genotype van de patiënten, welke kan ‘voorspellen’ voor wie deze afleidingstherapie effectief zal zijn. Voor patiënten die niet zo gevoelig zijn voor de omgeving zal deze therapie niet zo goed werken, en zullen mogelijk medicijnen het meest doeltreffend zijn.

Kortom, meer inzicht in gen x omgeving interactie en het effect op gedrag kan op een relatief simpele en goedkope wijze bijdragen aan de ontwikkeling van geïndividualiseerde therapieën voor psychiatrische patiënten. Dit is niet alleen van belang voor patiënten, maar ook voor gezonde mensen. Wie herkent niet dat je je in een bepaalde omgeving meer op je gemak voelt dan in een andere?

Refenties

1. Homberg JR, KP Lesch (2011) Looking on the bright side of serotonin transporter gene variation. Biological Psychiatry 69:513-9.

2. Nonkes LJP, de Pooter M, Homberg JR (in press) Behavioral therapy based on distraction alleviates impaired fear extinction in male serotonin transporter knockout rats. Journal of Psychiatry and Neuroscience


Andere bijdragen in Geneeskunde, Medicatie, Ons brein