Cultuur, het cognitieve proces

Professor dr. Barend van Heusden
Hoogleraar Cultuur en Cognitie
Faculty of Arts, Rijksuniversiteit Groningen

Hoe ziet de toekomst van de geesteswetenschappen er uit? Wat zijn de meest veelbelovende ontwikkelingen? En wat maakt de geesteswetenschappen zo belangrijk?

Of het zal gaan gebeuren weet ik niet, maar ik hoop dat er in de komende jaren meer duidelijkheid komt over de aard van het object van de geesteswetenschappen. Wat voor soort ‘ding’ is ‘geest’, of ‘cultuur’? De onduidelijkheid aangaande de aard van haar object (de ontologie) speelt de geesteswetenschappen al sinds halverwege de 19e eeuw parten – en is de oorzaak van een permanent gevoel van onbehagen en crisis. Zolang onduidelijk blijft wat cultuur – taal bijvoorbeeld, of kunst, of geschiedenis (het ‘verleden’…) – nu eigenlijk is, blijven de geesteswetenschappen zwalken, en hebben ze een fors legitimatie­probleem.

Ik verwacht veel van de cognitiewetenschappen, omdat zij ons duidelijk kunnen maken dat cultuur geen eigenschap is van dingen (van voorwerpen zoals teksten, klanken of beelden), maar van het – cognitieve – proces dat met behulp van deze voorwerpen door mensen wordt gerealiseerd.  Ik hoop en vermoed dat het inzicht dat cultuur een proces is dat zich in, en tussen mensen afspeelt, grote invloed zal hebben op de geestes­wetenschappen.

Een deel van die geesteswetenschappen kan dan namelijk ‘gewone’ wetenschap worden – in die zin dat men een object – de menselijke cognitie – heeft dat men met de gebruikelijke (theoretisch-empirische) methoden kan bestuderen. Men gaat op zoek naar onderliggende patronen van culturele cognitie – bijvoorbeeld van talige, van artistieke of van religieuze cognitie.

Het andere deel van de geesteswetenschappen kan zich richten op wat al sinds de 19e eeuw  haar belangrijkste taak is geweest, en dat is taal gebruiken. Een ‘geleerde’ leest, luistert, schrijft en spreekt. Deze geesteswetenschappen zijn de plaats waar, namens een samenleving, in en met taal wordt gedacht  –  over alles. Dit is een wezenlijk andere bezigheid dan het bedrijven van wetenschap, omdat het niet gaat om het observeren van, en ontdekken van structuren (patronen) in de werkelijkheid, maar om het conceptualiseren, om betekenis toekennen en interpretatie – om taal. Betekenis en waarde zijn hier belangrijker dan waarheid.

Aan deze kunde ontlenen de geesteswetenschappen hun maatschappelijke (niet hun weten­schappelijke!) legitimiteit: taal vestigt een gemeenschap van betekenis en daarmee van waarden. Taal vormt de publieke ruimte, en de geesteswetenschappen zijn zowel de makers als de hoeders van deze publieke ruimte – hoeders onder andere via het taalonderwijs, dat ten diepste cultuuronderwijs is (en dus niet beperkt zou mogen blijven tot onderwijs in spellen en het maken van samenvattingen). Vandaar ook dat deze geesteswetenschappen niet met formules, en al helemaal niet met steenkolen Engels kunnen werken. De taal is allesbepalend.

Deze geesteswetenschappen bewegen zich tussen twee uitersten: van, aan de ene kant, een taal die overgaat in logica en wiskunde, en ondergeschikt wordt gemaakt aan theorie en observatie (in wetenschap is taal uiteindelijk onbelangrijk – het gaat om de getallen); en van, aan de andere kant, een taal die, in de lyriek, tot een klank- en beeldvoorwerp wordt – wat het domein is van de kunsten en de techniek. Tussen deze twee uitersten ligt het terrein van het denken in en met taal – van filosofie, theologie, recht, geschiedschrijving, maar ook van delen van de psychologie, sociologie, economie en antropologie, en van de literatuur- en kunstkritiek.

Hier worden geen objecten bestudeerd, hoe graag men ook de indruk wil wekken dat dit wel het geval is. Een fundamentele fout van deze geesteswetenschappen is dat ze zich zijn gaan voordoen als wetenschap. Het gevolg is – al twee eeuwen lang – een ernstig legitimatieprobleem, omdat men nu eenmaal geen wetenschap is, en dus ook niet aan de aan wetenschap gestelde eisen kan voldoen, terwijl men tegelijkertijd stelselmatig de eigen aard en waarde verloochent, dan wel uit het oog verliest. En dat heeft op den duur weer funeste gevolgen voor de samenleving, die door de veronachtzaming van de humaniora haar publieke ruimte en haar waarden, die in de taal liggen opgesloten, op het spel zet.

Ik hoop daarom dat er in de nabije toekomst een duidelijk onderscheid kan worden gemaakt tussen een ‘normale’ wetenschap van de geest,  die zich slechts onderscheidt van andere terreinen van wetenschap door haar object (de menselijke cognitie), maar niet door haar methoden, én de beoefening van wat in de middeleeuwen het Trivium heette: van de grammatica, de retorica en de dialectica – van taalgebruik op het hoogste (academische) niveau. Het inzicht in de heel eigen aard, en de maatschappelijke noodzaak van taalgebruik (van het Trivium) zou een einde kunnen maken aan de zich almaar voortslepende en tamelijk uitzichtloze discussie over de legitimiteit van de geesteswetenschappen – niet alleen op de universiteit, maar ook in het primair en voortgezet onderwijs en in de samenleving als geheel.


Andere bijdragen in Alfa en bèta worden één, Cognitiewetenschappen