De ideeënmotor voor de wetenschap

Jan‐Willem Romeijn
Faculteit Wijsbegeerte, Rijksuniversiteit Groningen

Mijn vakgebied is de wetenschapsfilosofie: het onderzoek naar de aard en rechtvaardiging van wetenschappelijke kennis. Ik heb daarom een dubbele interesse in de vragen die u stelt. Enerzijds ben ik als filosoof een geesteswetenschapper en heb ik in die hoedanigheid een mening over belang, toekomst, en ontwikkeling van mijn vak. Anderzijds onderzoek ik als wetenschapsfilosoof ook de geesteswetenschappen, als onderwerp van studie. Ik zal in het volgende aan beide aspecten aandacht besteden.

Wat is, volgens u, de meest veelbelovende ontwikkeling in uw vakgebied?

Wat mij betreft zijn er twee of drie ontwikkelingen, zowel in de filosofie zelf als in de geesteswetenschap meer algemeen: het succesvolle gebruik van wiskundige en computationele modellen, en de steeds concretere toenadering tussen de geesteswetenschap en andere wetenschappen.

Voorbeelden uit de wetenschapsfilosofie zijn er te over. De studie naar wat we precies verstaan onder oorzakelijkheid wordt bijvoorbeeld sinds een jaar of tien grotendeels gevoerd aan de hand van bepaalde wiskundige en computationele modellen, zogenaamde causale Bayesiaanse netwerken. Ontwikkelingspsychologen gebruiken dezelfde modellen om begrip te krijgen van hoe kinderen oorzakelijke verbanden leren onderkennen, en dit heeft geleid tot intensieve samenwerking op het terrein van oorzakelijkheid tussen filosofen en psychologen.

Een ander voorbeeld betreft de studie naar sociale aspecten van kennis. Wetenschappelijke kennis wordt doorgaans in groepsverband verkregen en onderhouden. Door dit proces wiskundig te modelleren en te simuleren op een computer, komen verassende inzichten aan het licht over kennisdeling en het nut van onderling vertrouwen. Er bestaan bovendien mooie verbanden met biologisch onderzoek naar groepsgedrag, waarin vergelijkbare inzichten empirisch worden onderzocht.

Hoe ziet u de toekomst van uw discipline?

Heel globaal gezegd zijn veel wetenschappen ontstaan uit, of gebaseerd op, wijsgerige disciplines. Bekend voorbeeld is de natuurkunde die lang geleden nog de natuurfilosofie heette. Maar de wetenschappen zijn bij voortduring bezig te ontstaan, en de wetenschapsfilosofie kan daarbij een gunstige en constructieve rol spelen.

Zo kan de filosofie de sociale wetenschappen, die vaak dicht op het empirische materiaal blijven zitten of in elk geval theoretische speculatie schuwen, voorzien van frisse conceptuele ideeën. In de filosofie kan bijvoorbeeld een alternatief gevonden worden voor het mensbeeld dat ten grondslag ligt aan het falende marktdenken. Evenzo kan de filosofie wijzen op problemen in de interpretatie en de grondslagen van de natuurwetenschappen. Het onderzoek naar belichaamde cognitie is een leuk voorbeeld van hoe we kunnen ontsnappen aan het medische idee dat denken in het hoofd gebeurt. De wijsbegeerte kan kortom de ideeënmotor voor de wetenschap zijn.

Er staan ook wel beren op de weg van de wijsbegeerte en de geesteswetenschappen, zeker wanneer het gaat om het gebruik van wiskundige en computationele methoden. Kenmerkend voor de geesteswetenschap is volgens mij de veelvoud en wildgroei aan subtiele betekenisverschillen en begripsonderscheidingen.

Het is ijdele hoop om die rijkdom te willen vertalen naar abstracte modellen en conceptueel uniforme databanken en simulaties. De geesteswetenschappen kunnen hun voordeel doen met die methoden maar moeten anderzijds zorgen dat typisch geesteswetenschappelijk onderzoek zijn centrale plek behoudt. Kunsthistorisch onderzoek bijvoorbeeld betreft vaak het unieke in plaats van het veralgemeniseerbare en voor zulk onderzoek moet ook binnen nieuwe methodologieën plaats worden ingeruimd.

Wat is het belang van de geesteswetenschappen?

Een deel van het belang wordt zichtbaar in de al eerder genoemde ideeënmotor: de geesteswetenschappen hebben een lange traditie in het ontwikkelen en doordenken van concepten, en bieden vaak meer ruimte voor theorievorming en speculatie. Maar daarnaast staan de geesteswetenschappen veel dichter dan veel andere wetenschappen bij de ervaring van het mens zijn, en in een bepaalde cultuur leven. In filosofische, historische, taalkundige en anthropologische studies kunnen inzichten die voortkomen uit andere wetenschappen, worden betrokken op wat mensen uiteindelijk het meeste boeit: henzelf.


Andere bijdragen in Alfa en bèta worden één, Digital humanities, Samenwerken binnen de geesteswetenschappen, Wijsbegeerte