Migrantenschrijvers en rappers

Professor Dr. Ieme van der Poel
Hoogleraar Franstalige letterkunde
Geesteswetenschappen, Universiteit van Amsterdam

In het afgelopen decennium heeft het onderzoek naar de moderne Franse letterkunde een sterk transnationaal karakter gekregen. Massamigratie, massatoerisme en massacommunicatie hebben niet alleen het karakter van de Franstalige literatuur ingrijpend veranderd, maar hebben ook tot nieuwe onderzoeksvragen geleid, waarbij er niet langer een onderscheid wordt gemaakt tussen het centrum (Frankrijk) en de periferie (van de Maghreb en West-Afrika tot Québec). Dankzij het internet heeft ook het corpus van teksten waarover we tegenwoordig beschikken, zich aanzienlijk uitgebreid. Dat geldt zowel voor de rappers uit de banlieues, die in hun teksten vaak netelige kwesties uit Frankrijks koloniale verleden aansnijden, als voor schrijvers en dichters uit Franstalige landen als, bijvoorbeeld, Congo en Burkina Faso, waar nauwelijks een boekenmarkt bestaat.

Het transnationale karakter van de studie van de Franstalige literatuur en cultuur komt ook tot uitdrukking in de meest recente ontwikkelingen op het gebied van de theorievorming. Zowel de postkoloniale literatuurtheorie als de methodologie die beoogt een nieuwe invulling te geven aan het concept wereldliteratuur, spelen een belangrijke rol binnen het huidige literatuuronderzoek. Dat geldt met name voor Romanisten die aan universiteiten buiten Frankrijk werkzaam zijn. Dankzij hun toedoen is het zwaartepunt van de discussie, die aanvankelijk vooral betrekking had op de literatuur van het Britse Commonwealth en Australië, verschoven naar niet-Europese literaturen in het Frans en, in het kielzog daarvan, in het Spaans en Portugees.

Wat in deze ontwikkelingen voorop staat, is de gedachte dat globalisering op cultureel gebied niet noodzakelijkerwijs leidt tot eenvormigheid, maar tevens zorgt voor meer diversiteit. Dit wordt geïllustreerd door de toename, in Frankrijk maar ook internationaal, van het aantal migrantenschrijvers die tweetalig zijn en daardoor de hedendaagse Franse literatuur als het ware ‘van binnenuit’ vernieuwen. Dit geldt zowel voor het taalgebruik als voor bepaalde vormen van verteltechniek en de thematiek.

Als de hiervoor geschetste ontwikkeling iets duidelijk maakt, dan is het wel het belang van meertaligheid binnen de literatuurstudie in het bijzonder en de geesteswetenschappen in het algemeen. Om een treffend voorbeeld aan te halen: het bloeiende onderzoek in ons land op het gebied van cultureel geheugen en plaatsen van herinnering zou ondenkbaar zijn zonder de intensieve, persoonlijke contacten die de wegbereiders van dit nieuwe wetenschapsgebied (Henk Wesseling, Willem Frijhoff, Pim den Boer) onderhielden met Franse vakgenoten als Pierre Nora, Michel de Certeau en Mona Ozouf. Een ander voorbeeld van een al even vruchtbare Frans-Nederlandse alliantie vormde die tussen de sociologen, met aan de ene kant Bram de Swaan, Johan Heilbron en Jan Willem Duyvendak en aan de andere de school van Pierre Bourdieu. Tenslotte zou er in het zogenaamde multiculturele debat minder onzin over migranten en de islam zijn gedebiteerd wanneer de deelnemers van het begin af aan vertrouwd waren geweest met het werk van Franse wetenschappers op dit terrein, zoals Esther Benbassa, Olivier Roy en Gilles Kepel.

Inmiddels is het werk van deze auteurs veelal ook in het Engels vertaald. Maar het feit dat voornoemde Nederlandse historici en sociologen direct toegang hadden tot het Franse wetenschappelijke vertoog leverde het niet te onderschatten voordeel op dat zij zich, ook internationaal, hebben kunnen profileren als voortrekkers in plaats van volgers. Zij waren niet afhankelijk van de keuzes die elders, in de vorm van vertalingen, vóór hen werden gemaakt. Tenslotte, en dat geldt ook voor mijn eigen onderzoek naar de literaturen van de Marokkaanse diaspora (in het Nederlands, Frans en Spaans), draagt het aandeel van de Nederlandse onderzoekers ertoe bij dat ook Nederlandstalige bronnen worden ontsloten en daarmee een actief aandeel leveren aan deze vormen van interdisciplinair, Europees onderzoek. Het is dus evident dat Nederland behoefte heeft aan Frankrijkspecialisten op academisch niveau. Rest de vraag hoe de huidige ontwikkelingen met betrekking tot het talenonderwijs op Bachelor- en Masterniveau in staat zullen zijn om deze maatschappelijke vraag, ook in de toekomst, te accommoderen.


Andere bijdragen in Franse Letterkunde, Mondiale blik, Samenwerken binnen de geesteswetenschappen, Vermaatschappelijking