Wetenschappelijke ontwikkeling of doorbraak?

Professor dr. Ido de Haan
Hoogleraar Geschiedenis na 1500
Instituut voor Geschiedenis, Universiteit Utrecht

Ik dank de redactie van De Groene voor het verzoek om in vijfhonderd woorden een antwoord te geven op de volgende vragen:

* Wat is, volgens u, de meest veelbelovende ontwikkeling in uw vakgebied?

* Hoe ziet u de toekomst van uw discipline? 

* Wat is het belang van de geesteswetenschappen?

De redactie van De Groene zal in dit onderzoek wellicht ervaren dat geesteswetenschappers, meer dan de eerder onderzochte bèta- en gammawetenschappers, de neiging zullen hebben de vraagstelling ter discussie te stellen. Dat heeft niet alleen te maken met het perspectief in het onderzoek naar de alfawetenschappen, dat enigszins lijkt te verschillen met de blikrichting in het onderzoek naar de andere wetenschappers. Terwijl bij de gamma’s de oplossing van maatschappelijke vraagstukken centraal werd gesteld en bij de bèta’s de ‘grootste doorbraken’, zijn de vragen aan de geesteswetenschappers wat tobberiger. Naar de meest veelbelovende ontwikkeling wordt gevraagd zonder dat we de pretentie van een doorbraak moeten koesteren. Niet welk maatschappelijk vraagstuk we kunnen oplossen, maar of we überhaupt enig belang zien in ons werk is de vraag, om ten slotte te mogen piekeren over de vraag of onze discipline wel een toekomst heeft – een vraag die aan de eerdere groepen wetenschappers niet eens gesteld werd.

Dergelijk gemier over de vragen is geesteswetenschappers eigen: ze leven van de interpretatie en tegeninterpretatie, nemen niets voor waar aan, of liever nog, vragen zich af in welk waarheidsregime de gestelde vragen functioneren. En dan slaat direct de dubbele angst toe dat de geesteswetenschappen gedwongen worden mee te spelen in het taalspel van nut en noodzaak waarin het ministerie van onderwijs, universiteitsbestuurders en onderzoeksfinanciers alfa-onderzoekers de duimschroeven aandraaien; en tegelijk de angst dat we de wereld ook niet meer te bieden hebben dan de ontmaskering van de laatste waarheid als de zoveelste zet in het spel om macht en status – op de korte termijn misschien nuttig, maar op de langere termijn niet erg constructief.

Maar goed, hoewel jullie erom vroegen, vroegen jullie niet naar deconstructief commentaar maar om constructieve antwoorden. Wat mij betreft gaat het dan om de ontwikkeling, toekomst en belang van de geschiedwetenschap. Daar vallen twee verhalen over te vertellen. Het eerste, optimistische verhaal is dat het erg goed gaat met de geschiedenis als discipline. Er is brede belangstelling voor het vak, zeker waar het gaat om historisch werk gericht op een breder publiek. Ook in dit kroningsjaar zullen we kunnen vaststellen dat ‘historische non-fictie’ een populair genre is. En dan gaat het niet alleen om populariserend werk over aansprekende figuren als vorsten, sporthelden en oorlogsmisdadigers. Ook academischer werk krijgt veel aandacht; zie bijvoorbeeld het boek van Bart van der Boom, ‘Wij weten niets van hun lot’, de studie van Timothy Snyder over de ‘bloodlands’, of de studies van Orlando Figes over de Sovjet-Unie. Daarmee is meteen ook aangegeven dat werk over de grote tragedies van de twintigste eeuw – Holocaust, Gulag en andere vormen van grootschalig geweld – nog steeds de meeste aandacht trekt.

Dat heeft natuurlijk met de enorme impact van deze gebeurtenissen te maken, maar er wordt ook daadwerkelijk allerlei nieuw inzicht geboden. Zo is er de laatste tijd veelbelovend onderzoek gepubliceerd over daders van grootschalig geweld, dat voorbij de tegenstelling tussen de demonische wreedheid van de kampbeul versus de koele berekening van de Schreibtischmörder reikt. De motieven van daders zijn zeer uiteenlopend maar niet fundamenteel anders dan de motieven die mensen hebben om allerlei andere, veel minder kwaadaardige, daden te verrichten: overtuiging, angst, eergevoel, plichtsbetrachting, volgzaamheid, lamlendigheid, noem maar op, het speelt allemaal mee, en het maakt bovendien dat de grens tussen daders en omstanders, en soms ook tussen daders en slachtoffers poreus is. Zo bezien heeft dergelijk onderzoek ook maatschappelijk nut: het weerhoudt ons van simplistische verklaringen en gemakkelijke veroordelingen, en het biedt tegelijk inzichten voor de aanscherping en verfijning van ons morele vocabulaire (al zullen sommige van de verzetsstrijders na de oorlog die de laatste tijd ook in De Groene van zich hebben laten horen dat niet met mij eens zijn).

Maar er zit ook een andere kant aan deze belangstelling voor de geschiedenis, een bezwaar dat al teruggaat tot Nietzsche’s beschouwing over het nut en nadeel van de geschiedenis voor het leven. De wending naar de geschiedenis die de laatste twintig jaar overal te zien is – van de industriële productie van gedenkboeken tot en met de voortwoekerende discussie over de vaderlandse geschiedenis als fundament voor een sterke nationale identiteit – kan ook verlammend werken. Sinds de uitputting van de grote toekomstgerichte ideologieën, met als laatste het neoliberale marktdenken, stemmen we ons handelen steeds meer af op de diagnose van in het verleden gemaakte fouten. Dat is niet alleen te zien aan de sterke toename van parlementaire enquêtes en onderzoekscommissies, maar ook aan de wijdverbreide sorry- en afrekencultuur, waarin we ons drukker maken over de al of niet vergulde handdruk waarmee falende bestuurders vertrekken dan om de plannen en vaardigheden van de nieuw te benoemen bewindvoerders. Ondanks de bezwering dat resultaten behaald in het verleden geen garantie zijn voor succes in de toekomst, rijden we met onze blik gefixeerd op de achteruitkijkspiegel de toekomst in. Iedere automobilist weet hoe gevaarlijk dat is.

Zo bezien is de geschiedschrijving een discipline van een continent op z’n retour en daarmee ook als discipline op z’n retour. Dat wordt ook weerspiegeld in het feit dat de meeste historici nog steeds schrijven over Europa. Een consequente pessimist zal derhalve voorspellen dat over een paar decennia de discipline van de geschiedwetenschap aan zijn einde komt. Het vak kan dan voltooid en afgesloten  worden als de wijze waarop een specifieke culturele constellatie, ‘de Europese beschaving’, van zichzelf rekenschap gaf als een door en door historische cultuur. Dat wil niet zeggen dat elders geen geschiedenis wordt gemaakt, maar wel dat in de samenlevingen die de komende eeuw het wereldtoneel gaan domineren ‘de geschiedenis’ er wellicht niet of veel minder toe doet. De neerbuigende Europese behandeling van ‘mensen zonder geschiedenis’ zal dan omslaan in een even neerbuigend medelijden met een Europa dat bezweken is onder het gewicht van zijn eigen verleden.

Misschien is dit te somber. Er kan gewezen worden op de ontwikkeling van wereldgeschiedenis en transnationale geschiedenis, dat doelbewust voorbij probeert te geraken aan het Europese beschavingsverhaal: Provincializing Europe, zoals een veelbesproken studie van Dipesh Chakrabarty heet. Dat heeft ondertussen geleid tot mooie ‘transnationale’ studies, zie bijvoorbeeld Emma Rothschild’s The Inner Life of Empires, of in Nederland het werk van Roelof van Gelder (Naar het aards paradijs) en de recente studie van Martin Bossenbroek, De Boerenoorlog vanuit Brits, Boers en Nederlands perspectief. Maar het blijft werk waarin de relatie van Europa met de rest van de wereld centraal staat, zij het nu niet langer als vanzelfsprekendheid, maar als probleem. En problematiseren, dat kunnen geesteswetenschappers goed. Maar iets met een wetenschappelijke doorbraak oplossen?


Andere bijdragen in Geschiedenis, Mondiale blik