De kracht van het beeld

Professor Dr. Patricia Pisters
Mediastudies, Universiteit van Amsterdam

Acht jaar na de Tsunami in Azië werd afgelopen maand The Impossible uitgebracht, een film over het waargebeurde verhaal van een van de families die door de ramp werd getroffen. Jeroen Pauw en Paul Witteman zagen de voorpremière van de film samen met Nederlandse overlevenden. Een van hen was die avond te gast in hun talkshow waarin werd gesproken over de overrompelende impact van de filmbeelden die bijna letterlijk over hen heen waren gespoeld, het onvoorstelbare hadden laten ervaren. De kracht van het audiovisuele (film)beeld, dat is de centrale vraag in mijn onderzoek als filmwetenschapper. Ervaringen en emoties worden gedeeld, direct voelbaar en bespreekbaar gemaakt in verschillende cinematografische stijlen, verhalen worden gevormd door het Hollywood stramien, herinneringen aan het verleden worden bewaard en gekleurd door de camera. De filmgeschiedenis behoort tot ons gedeeld referentiekader en cultureel erfgoed. En behalve entertainen kunnen de beelden ons diep raken, aan het denken zetten. Films opereren in de werkelijkheid en doen iets in ons hoofd.

Sinds enkele jaren hebben ook neurowetenschappers belangstelling voor filmbeelden. Vanwege hun multimodaliteit biedt film veel overeenkomst met normale perceptie. Nu er onderzoeksmethodes zijn om het veelgelaagde proces van filmkijken enigszins in kaart te brengen, wordt er bijvoorbeeld onderzocht welke verschillende neuronencircuits van emoties worden aangesproken in verschillende soorten films, of hoe sturend bepaalde montage effecten kunnen zijn in het opwekken van vergelijkbare reacties in verschillende toeschouwers. Onder de naam ‘neurocinematics’  (en in bredere zin zelf ‘neuroaesthetics’) wordt hier een nieuw wetenschappelijk terrein geopend, waar in potentie samenwerking tussen de verschillende domeinen van de wetenschap mogelijk is, al worden die interdisciplinaire mogelijkheden tot nu nog niet veel benut en zelfs met argwaan bekeken. Neurologische experimenten kunnen ons laten zien welke materiele en objectief waarneembare processen ten grondslag liggen aan onze reactie op filmbeelden. Geesteswetenschappelijke analyses daarentegen zijn bij uitstek in staat om subjectieve processen (gedachtes, herinneringen en ervaringen) te beschrijven en historisch en culturele context te bieden. Beide perspectieven zijn nodig en vullen elkaar aan. Om Eric Kandel in zijn prachtige boek The Age of Insight te parafraseren: een MRI scan kan neuronale patronen van een depressie in beeld brengen, maar Lars von Triers Melancholia laat ons ervaren hoe een depressie voelt. Met welke middelen hij dit tot uitdrukking brengt en in welke grotere culturele en historische ontwikkelingen dit werk valt te plaatsen zijn geesteswetenschappelijke kwesties.  Film (en kunst in bredere zin), wetenschap en geesteswetenschap horen fundamenteel bij elkaar om vanuit verschillende perspectieven de complexiteit van de (innerlijke) wereld te doorgronden.

Kandel voert ons in The Age of Insight naar het Wenen van 1900 waar kunstenaars, schrijvers, en wetenschappers (waaronder Egon Schiele, Arthur Schnitzler en Sigmund Freud) regelmatig bijeen in de salon van Berta en Emil Zuckerkandl om met elkaar van gedachten te wisselen over de nieuwste wetenschappelijke bevindingen, creatieve uitingen en geesteswetenschappelijke inzichten. Het zou mooi zijn als dergelijke salons weer een nieuw leven zouden krijgen en kunstenaars, filmmakers, wetenschappers, medici, filosofen en theoretici elkaar weer opnieuw ontmoeten. Om zo de materiele en waarneembare patronen en wetenschappelijke processen in dialoog te brengen met de kracht van de verbeelding, de subjectiviteit van de ervaring en de lessen van de geschiedenis.


Andere bijdragen in Alfa en bèta worden één, Filmwetenschappen, Nieuwe onderzoeksgebieden, Samenwerken binnen de geesteswetenschappen