Een brug tussen data en traditie

Professor dr. Wido van Peursen
Hoogleraar Oude Testament
Faculteit der Godgeleerdheid, Vrije Universiteit Amsterdam

Mijn vakgebied, de studie van het Oude Testament, staat in een eeuwenlange traditie van zorgvuldige gedetailleerde filologische analyse. Deze traditie heeft zijn weerslag gevonden in talloze commentaren, grammatica’s en woordenboeken. Vaak waren hermeneutische en theologische vragen (vgl. Rens Bod over Geesteswetenschappen 1.0) richtinggevend voor exegetisch onderzoek. Het taalkundig onderzoek naar de taal van het Oude Testament, het Hebreeuws, vond wel vaak plaats in wisselwerking met de Semitische taalkunde, maar een directe aansluiting met inzichten uit de algemene taalwetenschap werd lang niet altijd gevonden. Waar er wel aansluiting werd gemaakt met de algemene taalwetenschap, bijvoorbeeld met structuralistische of cognitieve benaderingen, bleken ‘innovatieve’ oudtestamentici vaak toch nog achter te lopen bij ontwikkelingen in andere disciplines. Het is bijvoorbeeld een grote stap vooruit dat er in de studie van het Hebreeuws meer aandacht is gekomen voor tekst-syntactische verschijnselen, maar de veelvuldige verwijzingen die Hebraïsten anno 2013 daarbij nog steeds maken naar Harald Weinrich, Tempus – Besprochene und erzählte Welt uit 1964 doen vrezen dat ontwikkelingen die daarna plaatsgevonden hebben in de taalwetenschap veel Hebraïsten ontgaan zijn.

De meest veelbelovende ontwikkeling op mijn vakgebied is dan ook dat er, met behoud van de rijkdom aan materiaal en inzichten uit de eigen vaktraditie, bruggen geslagen worden met andere disciplines. Dit hangt samen met een andere belangrijke ontwikkeling, namelijk de opkomst van de computer in de werkkamer van de exegeet. De introductie van de computer als analyse-instrument leidt tot meer systematische, controleerbare en kwantitatieve analyses. In de termen van Bod: Geesteswetenschappen 2.0 heeft zijn intrede gedaan. Een van de effecten hiervan is dat oudtestamentici gedwongen worden de aansluiting met andere disciplines up-to-date te houden. In mijn eigen onderzoeksgroep (aan de theologische faculteit van de VU) merk ik dat bijvoorbeeld in een CLARIN-project (CLARIN is een Europees project met als doel een infrastructuur te bouwen en te onderhouden voor geesteswetenschappelijk, vooral taalkundig onderzoek) dat de omvangrijke database van het Oude Testament die ontwikkeld is aan de VU wil inbrengen in de CLARIN-infrastructuur. Dit vereist een nieuwe vorm van methodologische zuiverheid en terminologische helderheid in de beschrijving van het Bijbels Hebreeuws om aan de technische en taalkundige vereisten van deze generieke infrastructuur te voldoen.

Ik verwacht dat deze ontwikkeling, die nu vooral het werk is van pioniers, zich uit zal breiden over het hele vakgebied. In een NWO-project met de veelzeggende titel  “Bridging Data and Tradition” proberen wij een brug te slaan tussen het computationele onderzoek en de eeuwenlange exegetische traditie. Om deze brug te slaan is het noodzakelijk voor alle betrokkenen in het vakgebied helder te krijgen hoe vragen die een lezer of onderzoeker aan de tekst stelt zich laten vertalen in formele, systematische vragen naar de data. In andere woorden: hoe moeten we de stap zetten van question naar query. Die stap moet in de komende tien jaar gemeengoed worden, zodat kwantitatieve, computationele analyses en interpretatieve, hermeneutische vragen geïntegreerd worden. In de termen van Bod: Geesteswetenschappen 3.0.

Het belang hiervan voor de Geesteswetenschappen als geheel is erin gelegen dat de kloof die overbrugd moet worden op veel deeldisciplines van de geesteswetenschappen voelbaar is. Omdat de studie van het Oude Testament enerzijds een uitzonderlijke rijke onderzoekstraditie heeft en anders juist oudtestamentici tot de pioniers behoorden die de computer gingen inzetten voor hun tekstanalyse kunnen andere disciplines veel van dit vakgebied leren als het gaat om de ontwikkelingen van methoden en modellen en om het bouwen van bruggen tussen Geesteswetenschappen 1.0 en 2.0.


Andere bijdragen in Digital humanities, Religiewetenschappen, Samenwerken binnen de geesteswetenschappen