De moeilijke menselijke geest

Professor dr. Marc van Oostendorp
Hoogleraar Taalwetenschappen
University Center for Linguistics, Universiteit Leiden

Geesteswetenschappers houden zich bezig met het ingewikkeldste onderwerp dat er is. De natuurwetenschappen gaan over betrekkelijk eenvoudige zaken: natuurverschijnselen die relatief gemakkelijk, met enig experimenteel vernuft, uit hun context te lichten zijn, zodat je abstracte theorieën kunt formuleren die deze vereenvoudigde verschijnselen beschrijven.

Dat de menselijke geest het moeilijkst denkbare onderzoeksgebied is, komt door twee redenen. In de eerste plaats is de geest waarschijnlijk het product van op zichzelf al zeer complexe verschijnselen als het menselijk brein en de menselijke samenleving. Die zaken zou je dus ook goed moeten begrijpen voor je zegt dat je de menselijke geest begrijpt. Daar komt nog bij dat het maar de vraag is dat de menselijke geest voor ons niet alleen het *object* van onderzoek is, maar ook het *instrument* van onderzoek. Het is maar de vraag of de menselijke geest slim genoeg is om de menselijke geest te kunnen bevatten. (We weten vrij zeker dat de mier waarschijnlijk nooit zal begrijpen wat de mier drijft.)

Goede geesteswetenschappen gebruikt daarom zoveel mogelijk bronnen van kennis om tot inzicht te komen. Dat is volgens mij het belangrijkste onderzoeksresultaat van de afgelopen jaren. De taalwetenschap wordt sinds een jaar of vijftien overspoeld met veel nieuwe gegevens en manieren om gegevens te verzamelen. Toen ik studeerde was, bedachten veel taalkundigen hun eigen data: om te zien of een bepaalde Nederlandse zin wel of niet grammaticaal was, gingen ze te rade bij zichzelf of bij een collega met wie ze de kamer deelde. ‘Leunstoelonderzoek’ wordt dat weleens genoemd.

Daar zijn enorm veel bronnen van informatie bij gekomen. Er zijn experimentele methoden ontwikkeld – of overgenomen uit de sociale wetenschappen – om te zien hoe proefpersonen op testvragen reageren. Het is heel goedkoop geworden om de fysieke aspecten van het geluidssignaal dat mensen produceren objectief te meten, en ook om – bijvoorbeeld via ultrasound, dat ook gebruikt wordt om de foetus bij zwangere vrouwen zichtbaar te maken – goedkoop vast te leggen hoe de tong in de mond beweegt. Dankzij computers en het internet en verfijnde algoritmes kun je gemakkelijk in tekstbestanden van miljoenen woorden en uit alle perioden zoeken.

Een moderne taalwetenschapper begrijpt wat van experimentele methodologie, wat van computerprogrammeren en wat van statistiek. De ingewikkelde opdracht waar we nu voor staan is om al die nieuwe gegevens te integreren in het bouwwerk van kennis dat wij en onze voorgangers al hadden opgebouwd – want dat leunstoelonderzoek leverde vaak zeer goede gegevens en zeer diepgravende inzichten op.

De geesteswetenschappen zijn belangrijk om precies dezelfde redenen waarom ze zo moeilijk zijn. De geest is het instrument waarmee wij mensen de wereld begrijpen – ondanks alle meetapparatuur, databases en tekstbestanden is het uiteindelijk het énige instrument. Het is daarom van groot belang voor iedereen dat we dat instrument zelf begrijpen. En dé manier om dat te doen is door de producten van de geest op alle mogelijke manieren te bestuderen.


Andere bijdragen in Alfa en bèta worden één, Digital humanities, Samen met de gamma’s, Taalwetenschappen