Taalverandering is van alle tijden

Professor dr. Muriel Norde
Hoogleraar Scandinavische talen en literatuur
Faculty of Arts, Rijksuniversiteit Groningen

Wat is, volgens u, de meest veelbelovende ontwikkeling in uw vakgebied?

Historische taalwetenschap is een brede discipline met een zeer rijke traditie die in zijn “moderne” vorm tenminste terug gaat tot de 18e eeuw. De studie naar taalverandering en taalverwantschap is zelfs een belangrijke bron voor Charles Darwin geweest bij het ontwikkelen van zijn evolutietheorie. Wat ik zelf de belangrijkste ontwikkeling van de afgelopen decennia vind is het onderzoek naar grammaticalisatie, een proces van taalverandering waarbij geleidelijk nieuwe grammaticale elementen of structuren ontstaan. Nauwkeurige bestudering en vergelijking van grammaticalisatieprocessen in de talen van de wereld legt een aantal frappante tendensen bloot. Zo zijn er opvallend veel talen waarin het hulpwerkwoord voor toekomende tijd is afgeleid van een werkwoord van beweging. Bekende voorbeelden zijn Nederlands (ik ga trouwen), Frans (je vais me marier) of Engels (I am going to get married), maar soortgelijke ontwikkelingen treffen we ook aan in talen die helemaal niet aan het Nederlands verwant zijn, zoals het Baskisch, het Zulu, of het Tamil. Een tweede overeenkomst tussen al deze talen is de werkwoorden van beweging die grammaticaliseren heel algemeen van betekenis zijn, een werkwoord dat ‘huppelen’ of ‘taxiën’ betekent wordt geen hulpwerkwoord van toekomende tijd. Dat zegt iets over de betekenis van die woorden, maar ook over de manier waarop wij betekenis interpreteren en nieuwe betekenissen af kunnen leiden. Juist door te kijken naar hoe taal verandert, kunnen we meer te weten komen over hoe taal is opgebouwd en “werkt”. Net zoals het mechaniek van een fiets makkelijker te doorzien is wanneer je aan de trappers draait, is de structuur van taal gemakkelijker te doorgronden door te onderzoeken hoe die structuur verandert.

Hoe ziet u de toekomst van uw discipline?

Taalverandering is van alle tijden. Dat betekent dat je niet terug hoeft te gaan naar eeuwenoude bronnen om te zien hoe talen veranderen. Want ook in de historische taalwetenschap geldt het principe van uniformitarianism: taalverandering in het heden voltrekt zich in grote lijnen volgens dezelfde wetten als in het verleden. Met de opkomst van internet hebben taalkundigen toegang gekregen tot een gigantische hoeveelheid informeel taalgebruik (waar taalverandering meestal begint), en omdat er aanwijzingen zijn dat taalverandering zich dankzij nieuwe media sneller door de taalgemeenschap verspreidt, zijn dit gouden tijden voor de historische taalwetenschap.

Wat is het belang van de geesteswetenschappen, in het bijzonder de taalwetenschap?

Geen enkele diersoort beschikt over een capaciteit die ook maar in de buurt komt van het menselijk taalvermogen. Zonder taal geen complexe samenleving, geen literatuur, geen internet. Toch is taal voor de meeste mensen zo vanzelfsprekend dat het zich aan alle noodzaak tot reflectie onttrekt. Hier ligt een mooie taak voor taalkundigen, die óf gezien als scherpslijpers die onnavolgbare spellingsregels opstellen, óf als laconieke lapzwansen “die alles maar goed vinden”, tot grote ergernis van diegenen die “correct” taalgebruik voorstaan. Deze twee opvattingen zijn overduidelijk met elkaar in tegenspraak. Over spellingsregels kan ik kort zijn, dat zijn arbitraire conventies die niets met taalstructuur te maken hebben en daarom ook niet tot het domein van de taalkunde horen. Over taalverandering heb ik zojuist betoogd dat deze niet alleen onvermijdelijk is, maar ook een unieke kans biedt om het inzicht te krijgen in de structuur van taal, en daarmee uiteindelijk in echt menselijk taalvermogen zelf. De Britse taalkundige April McMahon heeft het mooi verwoord in het voorwoord van één van haar boeken. Daarin bedankt zij haar kinderen “whose current daily struggles up the foothills of the English language remind me constantly how vital language is, and how important that we understand it.”

McMahon, April. 2000. Change, chance and optimality. Oxford: Oxford University Press.


Andere bijdragen in Digital humanities, Scandinavische talen en cultuur