Een app voor de Via Appia

Professor dr. Eric M. Moormann
Archeologie, Radboud Universiteit Nijmegen

Mijn vak bestrijkt de materiële cultuur van Grieken en Romeinen. Ik richt mij vooral op Rome en omgeving tussen ongeveer 300 voor en 300 na Christus. Nadat lange tijd kunsthistorische methoden voor de bestudering van objecten en monumenten centraal hebben gestaan in mijn werk, richt ik mij tegenwoordig ook op veldwerk ten zuiden van Rome in het door NWO gesubsidieerde project “Mapping the Via Appia”. Een van de wonderen die zich aan mij openbaren is de groeiende rol van methoden en technieken uit de Bètawetenschappen. Gegevens worden niet alleen verkregen door opgraven en bestuderen van boven de grond zichtbare resten, ook de registratie van sporen van menselijke activiteiten onder de grond zonder direct te graven (en dus te verwoesten) leveren veel op. Ik denk dat, niet alleen in mijn geval, de sciences elementaire toepassingen aandragen. Uitdaging is deze gegevens goed te interpreteren en dit te combineren met de traditionele werkmethodes. Bovendien moeten archeologen hun materiaal en andere data zo archiveren dat ze beschikbaar blijven voor verder onderzoek. Voor mij blijft mijn vak een historische wetenschap die met dankbaarheid van input uit onder meer de antropologie, de geologie en historische geografie en dus ook exacte wetenschappen gebruik maakt.

Langzaamaan heeft de archeologie zich een vaste plaats verworven binnen de geesteswetenschappen, zeker wanneer ik niet alleen maar aan mijn periode en landstreek denk. Nu al valt me op dat de schotten tussen mijn en aanverwante disciplines (geschiedenis, kunstgeschiedenis, bovengenoemde disciplines) minder hoog zijn dan voorheen. De uitdaging is dan ook creatief met uiteenlopende onderzoeksmethodes om te gaan en zonder oogkleppen het vakgebied te laten groeien door nieuwe applicaties.

De archeologie wordt in maatschappelijk opzicht steeds belangrijker, vooral wat betreft het beheer en behoud van cultureel erfgoed, dat bestaat uit landschappelijke en andere monumenten. Voor de betreffende plaatsen en landen kunnen archeologen hun diensten bewijzen. Grensoverschrijding is daarbij gelukkig een extra. Nederlanders zoals wij werken in Italië en doen dit op uitnodiging van lokale collega’s. Hun know how en de onze tezamen leveren schatten aan gegevens en inzichten op. Social media – een andere uitdaging – kunnen de resultaten van onderzoek aan een groot publiek bekend maken, bijvoorbeeld door apps voor wandelaars op ‘onze’ Romeinse Via Appia te maken die over de zichtbare en onzichtbare gebouwen en andere objecten informatie verschaffen.

Geesteswetenschappen zijn in beweging. Zij staan als vanouds aan de basis van de wetenschap in het algemeen. Het feit dat geesteswetenschappers steeds op de barricaden moeten, houdt hen ook scherp, maar het is te betreuren dat hun belang vaak niet wordt onderkend. In Nederland geldt dit overigens ook voor andere takken van wetenschap, vooral wanneer zij niet maatschappelijk of economisch van waarde lijken te zijn. Het directe nut van de archeologie daarbinnen is minder klein dan het lijkt: zij kan bijdragen aan cultureel toerisme, de inrichting van tentoonstellingen en de presentatie van historische reconstructies in de media. Haar bevindingen hebben effect op de doorwerking van ontdekkingen in de publieke opinie, in beheer van erfgoed en voor het historisch besef. Voor veel andere aspecten van de Geesteswetenschappen geldt dat in even sterke mate.


Andere bijdragen in Alfa en bèta worden één, Archeologie, Mondiale blik, Samenwerken binnen de geesteswetenschappen