Wetenschap is een lawaaierige marktplaats

Professor dr. Wijnhard Mijnhardt
Hoogleraar in de geschiedenis van de Middeleeuwen
Afdeling Geschiedenis en Kunstgeschiedenis, Universiteit Utrecht

Wat is, volgens u, de meest veelbelovende ontwikkeling in uw vakgebied?

Digitaal onderzoek van grote tekstbestanden laat niet alleen het stellen en razendsnel oplossen van grote vragen toe, ze maakt de uitkomsten ook verifieerbaar, herhaalbaar en telkens opnieuw toetsbaar en dat is een uiterst belangwekkende bevinding. Om op mijn eigen terrein te blijven we zijn druk bezig met het voorbereiden van onderzoeksprojecten waarbij we deze digitale onderzoeksinstrumenten zullen inzetten bij de miljoenen bladzijden van het 17e- en 18e-eeuwse geleerdentijdschrift. Receptie- en invloed studies over kernconcepten van Wetenschappelijke revolutie en Verlichting zullen dan een echte, empirische basis krijgen.

Ook al zijn de digital humanities niet bij de bestudering van alle geesteswetenschappelijke vragen even nuttig, ze zullen bijdragen aan het kleiner maken van de kloof tussen alfa en bèta. Zullen de voornaamste verschillen tussen alfa en bèta straks nog alleen maar tot uitdrukking komen in de objecten die men bestudeert en niet meer in de methode of in de mate van zekerheid die aan de conclusies kunnen worden verbonden? Voor beide vakgebieden geldt immers dat de dataverzamelingen even betrouwbaar kunnen zijn en dat de succesvolle interpretatie vooral afhangt van lokale perspectieven en van de geschoolde intuïtie en de creativiteit van de onderzoeker en niet van zijn herkomst en opleiding.

Hoe ziet u de toekomst van uw discipline?

Voor de wetenschapsgeschiedenis is een grote toekomst tegemoet weggelegd als bewaker van de kwaliteit en de integriteit van het wetenschappelijk onderzoek. In de afgelopen decennia heeft het vak korte metten gemaakt met de pretenties van disciplines met zogenaamde universele wetenschappelijke methodes die moeiteloos goede en slechte datasets uit elkaar weten te houden, onmiddellijk effectief zijn in het ontmaskeren van waardeloze theorieën en foutloos waardevolle wetenschappelijke ideeën weten te identificeren. Wetenschappers zelf blijken onderling heel anders te denken over problemen en opties, en zelfs tot verschillende ‘kampen’ of ‘scholen’ te behoren. Sommigen zijn bereid hun data naar behoefte aan te passen, anderen zijn zelfs bij uitstek incompetent en weer anderen laten zich ongegeneerd betalen door de farmaceutische of kernindustrie. De wetenschapsbeoefening is niet meer en niet minder dan een lawaaierige marktplaats waar onduidelijkheid, aperte fouten en zelfs onenigheid, maar ook toeval en teleurstelling zorgen voor creativiteit, vernieuwing èn democratische tegenmacht. Dat stemt nederig maar de wetenschap kan niet zonder zo’n geluid.

Wat is het belang van de geesteswetenschappen?

Geesteswetenschappen lijken in de verdrukking te verkeren maar defensieve perspectieven als die van Nussbaum’s Not for Profit miskennen de immense economische en maatschappelijke betekenis van deze vakken. De humaniora moeten zich dan echter wel losmaken van hun fixatie op onderzoek en zich opnieuw bezinnen op hun kerntaak: het geven van onderwijs. Op het overgrote deel van het humaniora-onderzoek zit immers niemand te wachten. Dat onderwijs moet zich dan wel weer richten op wat eeuwenlang de kern is geweest van de universitaire opleiding: lezen, nadenken, schrijven en spreken: om het te formuleren in de klassieke termen van het trivium: grammatica, logica en retorica, al kan het geen kwaad daar in het kader van de spectaculaire ontwikkeling van de e-humanities – een vak als wiskunde aan toe te voegen. Deze academische vaardigheden hebben nog steeds een geweldige economische betekenis – ze verschaffen dus wel degelijk profijt – en leveren bovendien de denkkracht voor kritisch burgerschap.

Wanneer we de universitaire studie geesteswetenschappen volgens zo’n patroon zouden inrichten, het onderwijs zouden intensiveren, het leraarschap in ere zouden herstellen als beroepsprofiel voor de geesteswetenschappelijk-afgestudeerde en het onderzoek zouden beperken, is er een grote toekomst voor de geesteswetenschappen weggelegd.


Andere bijdragen in Alfa en bèta worden één, Digital humanities, Geschiedenis