Het verleden in het heden

Professor Dr. Susan Legêne
Hoogleraar Politieke geschiedenis
Geschiedenis, Vrije Universiteit Amsterdam

De meest veelbelovende ontwikkeling op het vakgebied van de geschiedschrijving betreft mijns inziens het onderzoek naar de verschillende manieren waarop het verleden speelt in het heden. Deze ontwikkeling is drieledig. Ze raakt aan de relatie tussen geschiedschrijving en historisch besef; ze onderkent de betekenis van andere dan tekstuele bronnen; en ze maakt ruimte voor nieuw denken over het verloop van de ‘tijd’, waarbij tijd te onderscheiden valt in chronologische tijd en ‘duurtijd’. Duurtijd draait om een besef van een verleden tijd die mee is gekomen naar het heden; een verleden dat niet voorbij is, of dat aanwezig is, bijvoorbeeld in onze omgeving, in kunst, in rituelen. Dat hoeft geen recent verleden te zijn, maar kan zeer ver terug gaan in de tijd.

‘Erfgoed’ en ‘herinnering’ vormen twee belangrijke invalshoeken om dit te onderzoeken. Daarnaast vindt dergelijk onderzoek ook plaats in een hedendaagse juridische omgang met het verleden, zoals bij forensisch onderzoek, zogeheten waarheidscommissies, of ook restitutiecommissies.

De kritische reflectie onder geesteswetenschappers op de bronnen en methoden van de geschiedenis   is onlosmakelijk verbonden met deze toenemende aandacht voor de manier waarop het verleden speelt in het heden. Schriftelijke historische bronnen zijn uiteraard al veel langer niet alleen relevant vanwege hun tekstuele inhoud, maar ook als ‘voorwerpen’ op zichzelf. Het type paper, perkament, klei, of wat ook de drager van de tekst moge zijn; de manier waarop de tekst werd gemaakt — geschreven, getypt, gekrast, digitaal — de plek waar de tekst zich bevindt, het telt allemaal mee in de betekenis die een bron krijgt in een geschiedverhaal. Dat is op zichzelf niet zo nieuw, belangrijker is dat daar andere bronnen aan toegevoegd worden: voorwerpen, foto’s, schilderijen, landschappen, onroerende zaken;  immateriële bronnen zoals muziektradities of ambachtelijke kennis, of ook noties van lichamelijkheid. We hebben steeds meer kritische methodes om deze bronnen te gebruiken in geschiedschrijving en de vormgeving van actuele relaties tot het verleden. En we krijgen steeds meer oog voor de manier waarop zij zich als bronnen van het verleden tot elkaar en tot ons verhouden en vormen.

Deze ontwikkeling bepaalt mede de toekomst van de geschiedschrijving. Bovendien verandert daarbij het onderscheid tussen zogeheten academische geschiedschrijving en ‘publieksgeschiedenis’. Immers, niet alleen hebben we oog voor een groter scala aan bronnen voor de geschiedenis; dankzij de digitalisering worden deze in instellingen als archieven, bibliotheken, musea ook steeds beter toegankelijk. Historici werken nu al niet alleen hard om beter om leren gaan met de ‘big data’ die door de wereldwijde digitalisering beschikbaar lijken te komen. Ook is een nieuwe inspanning nodig om de grote bronnendiversiteit – tekstueel, beeldend, materieel, landschappelijk, lichamelijk – in die digitale context goed te hanteren. Op dit moment is digitale ontsluiting van niet-tekstuele bronnen (voorwerpen, beeldmateriaal, muziek etc.), vrijwel uitsluitend gebaseerd op minimale maar zeer sturende tekst: de metadata. Ten aanzien van die metadata zal er nog veel veranderen; al die veranderingen zullen effect hebben op de wijze waarop we het verleden kunnen kennen en waarop dit actief is in het heden. Waarschijnlijk zal in de toekomst geschiedenis niet meer geschreven worden door een historicus in een mooi boek; de historicus zal in de eerste plaats met kennis van zaken discussies over het verleden modereren. Daarmee blijven historici belangrijke schakels in het overdragen van kennis, en het denkbaar maken van geschiedenis. In dat laatste berust een groot belang van de geesteswetenschappen.


Andere bijdragen in Digital humanities, Geschiedenis