De globalisering van nationalisme

Dr. Michiel Leezenberg
Assistent-professor Wetenschapsfilosofie
Wijsbegeerte, Universiteit van Amsterdam

Het belang van geesteswetenschappelijk werk voor de wereld van nu is nog groter en directer dan dat van het Darwinisme of de moderne economie; maar de resultaten ervan zijn minder zichtbaar, juist omdat ze zo alomtegenwoordig zijn. In het dagelijkse leven krijgen we relatief zelden te maken met erfelijkheid of evolutie; en zelfs economie is niet zo allesbepalend als Marx en neoliberale denkers doen voorkomen. Maar er gaat letterlijk geen dag voorbij zonder dat we taal gebruiken; en de taal die we spreken is in belangrijke opzichten het geesteskind van wetenschappelijk werk. Het Algemeen Beschaafd Nederlands, en algemener het verschijnsel standaardtaal, is een product van de negentiende en twintigste eeuw, en vormt de duurzame kern van het nationalisme, waarvan we ook vandaag de dag nog voorturend de uitwassen zien, maar waarvan we de oorzaken nog altijd niet hebben doorgrond.

Ondanks de toenemende globalisering van economisch handelen en cultureel leven zijn nationalistische en andere vormen van identiteitsdenken de afgelopen jaren alleen maar sterker geworden. De geesteswetenschappen zijn bij uitstek gekwalificeerd om deze paradoxale ontwikkeling te duiden, omdat ze talen, culturen en identiteiten niet slechts analyseren als een afspiegeling van bredere of fundamentelere sociale of economische processen, maar juist de inhouden van culturele productie onderzoeken.

Eerdere studies van nationalisme waren vooral het werk van sociale wetenschappers zoals Ernest Gellner, Eric Hobsbawm en Benedict Anderson; maar in de afgelopen jaren is het meest vernieuwende onderzoek eerder geesteswetenschappelijk van aard geweest. De nieuwste inzichten in het ontstaan, de wereldwijde verspreiding en de opmerkelijke duurzaamheid van nationalistisch en ander identiteitsdenken zijn echter niet één grote ontdekking die door één wetenschapper is gedaan, maar het werk van diverse wetenschappers die op diverse manieren stelselmatig bestaande disciplinaire en nationale grenzen overschrijden en ter discussie stellen: sanskritisten als Sheldon Pollock, taalkundig antropologen als Richard Bauman en Charles Briggs, en in Nederland literatuurhistorici als Joep Leerssen, hebben beschreven hoe men volkstalen voor nieuwe literaire, geleerde en politieke doelen ging gebruiken, en hoe de betekenis van het woord ‘volk’ wereldwijd verschoof: van het lage volk naar een natie in het bezit van een eigen cultuur, traditie en identiteit.

Serieus vergelijkend onderzoek naar deze vragen impliceert overigens wel een herstructurering van de geesteswetenschappen. Iedereen weet dat de talenopleidingen vandaag de dag zwaar noodlijdend zijn. Dat komt deels doordat hun institutionele inrichting nog altijd berust op precies de romantisch-nationalistische aannames die ze kritisch zouden moeten bevragen. Eén institutionele vereiste is het aangaan van nieuwe samenwerkinsgverbanden tussen talenopleidingen die nu zijn opgedeeld langs geografische en nationale lijnen. Een andere vereiste is dat de geesteswetenschappelijke en de maatschappijwetenschappelijke faculteiten nauwer gaan samenwerken. Inhoudelijk is het onderscheid tussen de op geschreven bronnen gerichte, historiserende filologische methoden van geesteswetenschappers en de meer theoriegestuurde, op het heden gerichte etnografische methoden van sociale wetenschappers steeds meer ondermijnd, deels door de opkomst van allerlei nieuwe media; maar institutioneel is het nog altijd hecht verankerd. Die tegenstelling is echter heilloos. Theoretische studies zonder historisch besef zijn leeg, historiserende onderzoek zonder theoretisch inzicht is blind.


Andere bijdragen in Mondiale blik, Samen met de gamma’s, Samenwerken binnen de geesteswetenschappen, Wijsbegeerte