Groei en globalisering

Professor Dr. Jeroen Duindam
Professor Moderne Geschiedenis
Instituut van Geschiedenis, Universiteit Leiden

Wat is, volgens u, de meest veelbelovende ontwikkeling in uw vakgebied?

Deze vraag valt op allerlei manieren op te vatten. Ik trap een open deur in door te wijzen op de snel groeiende digitale beschikbaarheid van allerlei boeken en tijdschriften. Tien jaar geleden was een langdurige rondreis door tal van bibliotheken en archieven in Europa nodig voor een verkenning van gedrukte bronnen uit de periode 1500-1900; vergelijkbaar onderzoek kan nu in een weekje achter het bureau met de PC. Daarnaast is onderzoek van moderne wetenschappelijke tijdschriften zeer gericht en snel geworden. De hoeveelheid beschikbare informatie is zeer sterk toegenomen, terwijl ordening en verwerking nog steeds goed mogelijk is. Archiefmateriaal ontsnapt goeddeels aan deze ontsluiting en dat zal niet snel veranderen. Een tweede belangrijke verandering is het versterken en vergemakkelijken van contacten met collega’s wereldwijd. Er is een grote en snel toegankelijke geleerdenrepubliek ontstaan, die meer dan voorheen ook collega’s van buiten het eigen netwerk en de nationale constellatie in beeld brengt. Een derde kwestie is hiermee verwant: de sterkere inbedding van Nederland in de wereld waardoor – althans onder collega’s — de consensus begint te ontstaan dat onderwijs en onderzoek in de geschiedenis niet beperkt kunnen blijven tot het eigen land of het eigen deel van de wereld. Globalisering komt niet zonder problemen. Het is verleidelijk om in één keer de overstap van nationale geschiedenis naar wereldgeschiedenis te maken, terwijl het tussenniveau van de landen om ons heen vrijwel buiten beeld raakt. We hebben een hoger gehalte nationaal gerichte kopstukken in het vak dan dertig jaar geleden, daarnaast weliswaar méér globalisten, maar zeker ook minder kenners van verschillende landen in Europa. Ook de talenkennis is verminderd (en vermindert nog steeds). De belangrijke rol die Nederlandse onderzoekers als waterdragers en bemiddelaars tussen verschillende Westerse kennisgebieden konden spelen is sterk verminderd. Engels en globaal is dus soms ronduit schraal.

Hoe ziet u de toekomst van uw discipline?

Als ideaal? Een vergelijkende benadering die dicht bij mensen, talen en bronnen blijft – die het beste uit de antropologie en de geschiedenis bijeenbrengt, die laat leren van andere werelden maar oog heeft voor de opmerkelijke gelijkblijvendheid van veel menselijk gedrag door de gehele geschiedenis. Het herkennen van patronen in gedrag, in heden en verleden over de gehele wereld – maar altijd met de nabijheid van empirisch materiaal en talen, en zonder de teleologische zelffelicitaties die nog steeds in sociale wetenschappen en nationale historische perspectieven te vinden zijn. Zo kan – maar hier spring ik naar het volgende onderdeel – geschiedenis ook werkelijk een fundamenteel commentaar op de samenleving geven (meer dan alleen het stempel op een overheidsrapport, of een beschrijving van nationale canons).

Als realiteit? De druk op de universiteiten om gericht op vraag en omgeving te ‘produceren’, de neiging zelfinflatie en tot overwaardering van de hippe verpakking van onderzoek die wordt gestimuleerd door het systeem van aanvragen, de uit de bètawetenschappen overgewaaide noties over grootschaligheid en systematiek: al deze aspecten zijn begrijpelijk (en geen ‘complot’), maar ze schieten langs de kern van goed individueel onderzoek. Daarnaast wordt het onderwijs gestuurd door een al evenzeer begrijpelijk stelsel van bedrijfsmatigheid en kwaliteitsbeheersing dat maar zeer ten dele met werkelijke kwaliteit van kennisoverdracht en begeleiding te maken heeft, en daarop soms zelfs een negatieve uitwerking heeft. Overigens heb ik na ervaringen op een reeks historische instituten in Nederland (en frequente intensieve contacten daarbuiten) een prima indruk van de motivatie en vaak zelfs gedrevenheid van mijn vakgenoten. De problemen met het belonen en sturen van onderwijs en onderzoek raken alle disciplines, ik ga er daarom niet verder op in.

Wat is het belang van de geesteswetenschappen?

Het eerste sociale belang van geesteswetenschappen is het verzorgen van hoogwaardig onderwijs dat door onderzoek is geïnformeerd en geïnspireerd. De kruisbestuiving is essentieel, maar wordt door het bedrijfsmatig uiteen trekken van deze activiteiten bemoeilijkt. Natuurlijk komen er vanuit de geesteswetenschappen wel eens echte doorbraken, en zijn van vraagstukken uit de geesteswetenschappen verbonden met verwante natuurwetenschappelijke problemen. Toch is die incidentele andere bijdrage ongeveer even relevant als de economische impuls die tegenwoordig steevast wordt genoemd ter verdediging van culturele instellingen (‘wijntje drinken na het concert…’). Geesteswetenschappen redden geen mensenlevens door technische hoogstandjes. Wij bieden geen kant-en-klare oplossingen voor maatschappelijke problemen. De pretentie die sociale wetenschappers en economen stelliger in deze richting koesteren, heeft vaak meer met hun zelfbeeld en tradities te maken dan met de realiteit. Een ideale vorm van geschiedenis stel ik me voor als commentaarstem die vanuit een veel bredere aanloop en met een reserve tegenover ideologische constructies het heden beziet. Goed historisch onderzoek is ook goed geschreven – het kan raken en inspireren, begrip geven van de complexiteiten van het menselijk bestaan. Overigens (maar hier spring ik weer naar de eerste vraag) zou het de moeite waard zijn om geesteswetenschappen en natuurwetenschappen eens wat vaker op onderzoeksniveau samen te brengen zonder dat zijn hun specifieke benaderingen tot een gemiddelde hoeven te reduceren dat de essentie van beide wegneemt.

 


Andere bijdragen in Digital humanities, Geschiedenis, Mondiale blik