Hoe ziet de taalkunde er over 50 jaar uit?

Professor dr. Arjen P. Versloot
Hoogleraar Germaanse Taalkunde (Scandinavisch, Duits en Fries)
Capaciteitsgroep Duitse en Scandinavische talen en culturen, Universiteit van Amsterdam

De taalkunde heeft sinds zijn ontstaan als serieuze discipline in de 19e eeuw vele stromingen gekend. Taalkundigen zijn steeds op zoek geweest naar regelmatigheden in talen: van de ‘klankwetten’ van de Neogrammatici, via de geografisch-geometrische patronen van de dialectgeografie tot de schoonheid der symmetrie van de structuren van het structuralisme. Iedere nieuwe invalshoek bleek snel aansprekende resultaten te kunnen laten zien, juist bij problemen waar de vorige theorie in vastliep. Helaas blijken nieuwe theorieën dan soms weer minder succesvol in het vinden van oplossingen voor aspecten waar de voorgangers sterk in zijn.

Wie een beetje verder kijkt dan alleen de taalkunde kan zich afvragen of de paradigma’s van de taalkunde wel zoveel met taal zelf te maken hebben. Er lijkt een verband te bestaan tussen de gangbare taalkundige theorieën en de heersende tijdgeest. Zo pasten de klankwetten naadloos in het positivistisch-mechanische denken van de late 19e eeuw. De dialectgeografie kwam op toen mensen naar de steden trokken en men zich bewust werd van het snel veranderende platteland en zijn taal. De generatieve grammatica werkt net als een computer zonder harde schijf uit de jaren 50: liever een ingewikkelde regel dan redundante opslag. Met andere woorden, als we willen weten hoe over 50 jaar de taalkunde is, kunnen we beter vragen wat over 50 jaar de stand van de techniek is en hoe de tijdgeest is.

De afgelopen jaren zie ik een aantal vermeldenswaardige trends. De eerste is de comeback van de historische taalkunde. Die hangt volgens mij samen met een technische ontwikkeling: de opkomst van de corpora. Corpora en hun computationele analyse hebben ons begrip van grammaticaliteit veranderd: van individuele ‘ja/nee’-oordelen naar schakeringen van ‘algemeen’ tot ‘marginaal’. Door ons begrip van moderne corpora zijn we beter in staat om ook het oude materiaal te interpreteren. Een goede theorie van taalvermogen doet ook voorspellingen over hoe taal verandert en daarmee is de diachronie terug in de belangstelling.

Dit gaat wel iets anders vragen van taalkundigen dan voorheen: het werken met digitale corpora vraagt technische vaardigheden als het uitvoeren van zoekopdrachten op een corpus. Natuurlijk zijn er gebruikersinterfaces, maar als je dieper wilt graven, moet je zelf aan de slag. Om de tellingen die daaruit volgen te kunnen interpreteren moet de moderne taalkundige ook iets van statistiek weten. Met technisch-computationele vaardigheden en statistiek zal de taalkunde van de toekomst niet langer de uitgesproken alfa-studie zijn, die het van oudsher is.

Waar taalkundigen zich misschien echt zorgen over moeten maken is dat het langs verschillende kanten ingehaald wordt. Aan de ene kant zijn het bijvoorbeeld biologen en psychologen die in vooraanstaande tijdschriften over taal publiceren, zonder zich te baseren op de gangbare grammaticale modellen. Aan de andere kant zit in bijvoorbeeld automatische vertaalprogramma’s geen enkele traditionele grammaticale kennis verwerkt. Sommigen zullen misschien hun neus ophalen voor het ‘povere’ resultaat ervan, een programma dat op een vertaalwoordenboek en een traditionele grammatica draait, is niet eens realiseerbaar. Het ontbreken van een algemeen aanvaarde basistheorie over taal is veelzeggend over de status van alle losse theorieën die er zijn. En dan heb ik het nog niet eens gehad over de betekenis van de sociolinguïstiek, de pragmatiek, enz.

Mijn mening is dat al die facetten een stukje van de werkelijkheid van taal tonen, een werkelijkheid die het beste te vangen is onder de noemen: complex chaossysteem. En wie daarover meer wil weten, zal meer aan een goede wiskundeopleiding hebben dan aan kennis van traditionele grammatica…


Andere bijdragen in Alfa en bèta worden één, Digital humanities, Germaanse taalkunde