Kritiek zonder identiteitspolitiek

Dr. Iris van der Tuin
Universitair docent Genderstudies en Wetenschapsfilosofie en postdoc, NWO veni onderzoeker
Graduate Gender Programme, Universiteit Utrecht

Genderstudies zijn eind jaren zeventig opgericht als ‘vrouwenstudies’ en stammen uit het activisme van de jaren ’60. In dat activisme deed zich op een gegeven moment een epistemologische wending voor: door met elkaar te praten realiseerden vrouwen zich dat hun persoonlijke problemen sociale feiten waren en gingen zij zich eerst in de rol van student bemoeien met wat als ‘feit’ werd gepresenteerd op universiteiten. Medewerkers vrouwenstudies begonnen in 1974 aan de Universiteit Utrecht. Een paar jaar later publiceerden de Amsterdamse Anet Bleich en Petra de Vries enkele invloedrijke nota’s die ervoor zorgden dat vrouwenstudies aan alle Nederlandse universiteiten voet aan de grond kregen. Nu zijn Utrecht, Amsterdam, Nijmegen en Maastricht nog steeds groot op het gebied van genderstudies, het vakgebied dat ook mannen en mannelijkheid, heteronormativiteit en witheid onderzoekt.

Genderstudies zijn jarenlang op identiteitspolitieken gestoeld geweest. Ik schrijf met opzet in meervoud, want bij de categorie ‘vrouw’ werden in de epistemologische wending al meteen vraagtekens geplaatst. Op z’n minst zou het over vrouwen moeten gaan: zwarte vrouwen, witte lesbo’s, Surinaamse mati, enzovoort. Waar al deze vrouwen het over eens waren, was dat het kennende subject een lichaam moest krijgen. Weg met ‘cogito ergo sum’ en welkom psychoanalyse, Marxisme, fenomenologie, enzovoort. Interessant bijverschijnsel was dat er een curieuze herhaling van zetten het vakgebied insloop. Ineens werd er binnen vrouwen- en genderstudies gevochten om wie de juiste gesitueerde feiten konden presenteren en ging de diversificatie soms zo ver dat we terug bij af waren: ‘ik’ kwam weer in het middelpunt van de kennisproductie te staan. Want niemand anders is ook èn wit èn hetero èn Fries èn een geval van sociale mobiliteit èn brildragende cyborg èn derdegolffeministe èn… Ineens kon ‘ik’ weer de waarheid in pacht hebben en op die manier, zo schreef Donna Haraway al in 1988, is een relativistische epistemologie uiteindelijk gelijk aan een totaliserende.

Hoe kunnen we genderstudies beoefenen in de 21ste eeuw? Wat mij betreft is de belangrijkste ontwikkeling – naast het omarmen van de biologie! Want we zijn niet meer bang voor biologisch determinisme nu ‘biologie’ een dynamisch proces blijkt te zijn – dat we nu kritische wetenschap beoefenen zonder daarbij een fundament te zoeken in identiteiten. Identiteitspolitica’s zijn vatbaar voor bovenstaande epistemologische valkuil, maar daarenboven redeneren zij in cirkels. Een standpuntdenkster weet vooraf al dat heterovrouwen aan de winnende hand zijn in de samenleving en in representatie en dat interviews met lesbische vrouwen dus een solide basis vormen voor kennis. Maar wat als geen lesbische vrouw hetzelfde is en we moeten afwegen of rijke lesbo’s eigenlijk wel meer onderdrukt zijn dan arme heterovrouwen?

Kritiek zonder identiteitspolitiek bestaat uit een diep engagement met de wereld om ons heen. ‘Staying with the trouble’ noemt Haraway dat tegenwoordig. We willen de wereld in alle complexiteit en perversiteit kennen en doen dat door co-responsief te zijn, door met de wereld mee te bewegen. Geen afkeren – geen negatieve kritiek –, maar affirmatie, zou ook Rosi Braidotti zeggen. Niet om verschillen van tafel te vegen en weer naïef en distantiërend te werk te gaan, maar om verschillende verschillen bloot te leggen. Alleen door verschil anders te denken ontkomen we aan de greep waarin hiërarchisch verschil ons houdt. ‘Wij versus zij’ is een reductie van de dynamische werkelijkheid die we ook om ons heen vinden. Laten we feministische geesteswetenschappen op dat creatieve fundament stoelen!


Andere bijdragen in Gender studies, Samenwerken binnen de geesteswetenschappen, Vermaatschappelijking