Over geesteswetenschap

Professor dr. Paul van Tongeren
Hoogleraar Wijsgerige Ethiek
Wijsbegeerte, Radboud Universiteit Nijmegen

Over “de” geesteswetenschappen kan moeilijk iets in het algemeen gezegd worden: ze zijn niet altijd even duidelijk onderscheiden van andere wetenschappen (bijvoorbeeld: waar bevindt zich de cognitiewetenschap tussen medische wetenschap, sociale wetenschap en filosofie?); ze vormen een te heterogene verzameling (bijvoorbeeld: van hermeneutiek tot literatuursociologie); en vooral: de term “wetenschap” is zelf problematisch: die term is ofwel zo vaag dat hij alles kan omvatten: van theoretische fysica tot bedrijfscommunicatie, van toegepaste natuurkunde tot rechtsgeleerdheid en van biochemie tot godsdienstfilosofie) ofwel hij drukt een bepaald paradigma van wetenschapsbeoefening uit en sluit dan verschillende disciplines die aan de universiteit beoefend worden buiten. Mede daarom kan ik de laatste van de drie vragen niet beantwoorden, tenzij – een beetje – voor mijn eigen discipline: de filosofie, of beter: een bepaalde (hermeneutische) benadering in de filosofie.

Hermeneutische filosofie is m.i. fundamenteel onderscheiden van wetenschap in zoverre ze gericht is op verstaan en uitleg van betekenis, terwijl de wetenschap gericht is op kennis van feitelijke structuren en verbanden. “Kennis” probeert m.i. zo dicht mogelijk te komen bij een neutrale registratie, of vaststelling van feiten. Idealiter is de wetenschapper maximaal afwezig in zijn “kennis”; zijn aanwezigheid veroorzaakt “ruis”. Hermeneutische filosofie is daarentegen gericht op de interpretatie, beoordeling, waardering van de betekenis of kwaliteit van de werkelijkheid; daarin is de interpreet altijd juist sterk zelf aanwezig. Ik maak dus een onderscheid tussen “feiten” en “betekenis”, maar besef dat die twee normaliter altijd in elkaar verstrengeld zijn. Die verstrengeling maakt dat we nooit feiten registreren zonder ze ook op een of andere manier te interpreteren, en dat we nooit interpreteren zonder dat er “iets” gegeven is dat geïnterpreteerd wordt. Maar het onderscheid tussen “feit” en “betekenis” is van belang omdat aan die twee ook verschillende soorten “weten” beantwoorden: bij “feiten” hoort “registrerende kennis” en bij “betekenissen” hoort een interpreterend oordeel.

Tegen deze achtergrond beantwoord ik de drie gestelde vragen kort – en alleen met betrekking tot de hermeneutische filosofie – als volgt:

  1. op het gebied van de interpretatie vinden weliswaar ontwikkelingen plaats, maar deze hebben nooit het karakter van een soort cumulatieve vooruitgang. Wij lezen nog steeds de teksten van twee en een half duizend jaar geleden: elke tijd en elke omgeving moet steeds weer opnieuw de betekenis van die teksten, en via een interpretatie van die teksten de betekenis van de “werkelijkheid” proberen te verstaan. De filosofie is een gesofisticeerde en gesubtiliseerde vorm van dat verstaan, dat de opgave van elk mens en van elke tijd en cultuur is.
  2. De toekomst van deze vorm van filosofie wordt bedreigd door een wetenschapsparadigma dat sterk ontleend is aan wat ik eerder aanduidde als “kennis van feiten”, en door de organisatie van het wetenschapsbedrijf die zich aan dat paradigma vastklampt. Zaken als: het organiseren van onderzoek in (grote) onderzoeksprogramma’s, het vaststellen van onderzoekthema’s waaraan onderzoekers zich bij voorkeur zouden moeten wijden, een beoordelingssysteem waarin boeken relatief minder gewicht hebben dan artikelen, een sterke nadruk op Engelstaligheid, enzoverder hebben m.i. allemaal te maken met een miskenning van de eigen aard en de eigen betekenis van deze vorm van “geesteswetenschap”.
  3. Het grote belang van deze vorm van geesteswetenschap ligt geïmpliceerd in het gemaakte onderscheid: wanneer mensen zichzelf serieus nemen als wezens die niet alleen registrerende machines zijn (of kunnen maken) en op die wijze kennis van en macht over de werkelijkheid kunnen verwerven, maar ook interpreten die betekenissen verstaan en kwaliteiten beoordelen, zal ook deze laatste vaardigheid voortdurend gecultiveerd moeten worden. Dat kan niet wanneer het vermogen om te interpreteren beoordeeld wordt op de “kennis” die het oplevert.

Ik ben al over de maat van het aangegeven aantal woorden heen en heb mijn opmerkingen nog niet “onderbouwd met onderzoek”; misschien mag ik verwijzen naar mijn recente boek (Leven is een kunst Klement/Pelckmans 2012) waar m.n. in hfst 1, 2 en 6 deze thematiek wordt uitgewerkt, althans met betrekking tot de wijsgerige ethiek.


Andere bijdragen in Begrijpen én verklaren, Wijsbegeerte