De geesteswetenschappen: het geweten van het weten

Professor dr. Maarten Steenmeijer
Hoogleraar Spaanse taal en cultuur
Centre for Language Studies, Radboud Universiteit Nijmegen

In de exacte wetenschappen wordt het allerkleinste steeds kleiner en het allergrootste steeds groter. In het hersenonderzoek is men hard op weg het negentiende-eeuwse determinisme alsnog gelijk te geven. Kanker is over pakweg tien jaar niet meer de barbaarse ziekte die het nu is dankzij de ontdekking van behandelingstechnieken die de gezonde delen van ons lichaam met rust laten.

En wij vanuit de geesteswetenschappen maar roepen dat het vooruitgangsgeloof failliet was. De vooruitgang: het Grote Verhaal van de Verlichting dat in de twintigste eeuw werd ontmaskerd als niet meer dan een van de vele kleine verhalen waarmee de geschiedenis van het menselijk denken is gestoffeerd.

Staan we nu, in de eenentwintigste eeuw, niet in ons hemd met onze postmoderne praatjes? Was onze relativering van het vooruitgangsdenken niet een potsierlijk achterhoedegevecht? Doen wij, geesteswetenschappers, er nog wel toe te midden van de spectaculaire, mediagenieke vooruitgangen die in de ‘harde’ wetenschappen worden geboekt? Moeten we op de lange termijn de geesteswetenschappen prijsgeven aan het hersenonderzoek? Zijn we een anachronisme geworden, roependen in de woestijn of, erger nog, fools on the hill?

Je zou het bijna geloven als je afgaat op de timiditeit die geesteswetenschappers aan de dag leggen in de media. Waar is onze Dick Schwaab? Waar is onze Robbert Dijkgraaf? Schuwen we de schijnwerpers? Wachten we defensief af of de toekomst ons nog wel wil? Hopen we er tegen beter weten in maar het beste van?

Als dat laatste waar is, dan is er iets mis. Niet met ons vakgebied, maar met onszelf. Toegegeven: in baanbrekend onderzoek zijn we niet sterk. Vooruitgang wordt in ons vakgebied niet met een hoofdletter geschreven. De definitieve interpretatie van Hamlet hebben we niet en zullen we ook nooit kunnen leveren. Wat goed en wat slecht is, daar hebben we het permanente antwoord niet op. En van ons zul je niet horen wat eeuwige schoonheidswaarde heeft en wat niet, noch wat wel of niet correct taalgebruik is of wat een goede vertaling is. Zelfs over de betekenis van de eerste woorden van de Bijbel steggelen we nog altijd.

De diagnose is duidelijk: de geesteswetenschappen houden zich bezig met vragen waarop geen eensluidende, definitieve antwoorden zijn te geven. Maar dat is niet onze zwakte, dat is onze kracht. Ons onderzoeksobject is die almaar groeiende bibliotheek van teksten waarmee we ons universum vormgeven, overdenken, vieren en betreuren. Kronieken, potscherven, de Koran, Titiaan’s Karel V, Harry Potter, The Gladiator, straattaal, het laatste bericht van een zelfmoordenaar: hoe verschillend ook, het zijn allemaal teksten die verschillende interpretaties toelaten. Interpretaties die in wisselende contexten tot stand komen en alleen al daarom niet vastliggen. Interpretaties die weliswaar voorlopig zijn, maar die op argumenten zijn gebaseerd en dus niet willekeurig zijn.

Voorlopige maar niet willekeurige interpretaties als hoogste onderzoeksresultaat: deze paradox vormt niet alleen het wezen van ons vakgebied maar van al het menselijk denken. Het is een paradox die tot nederigheid stemt over ons kenvermogen en die de geesteswetenschappen een onverwisselbare plaats geeft binnen de wetenschap. Wij zijn het geweten van het weten.


Andere bijdragen in Alfa en bèta worden één, Terugkeer van grote verhalen