Geen Two Cultures, maar Diderot

Professor dr. Reinier Salverda
Directeur-bestuurder Fryske Akademy (KNAW) en bijzonder hoogleraar Nederlandse taal en literatuur
Fryske Akademy en University College London

In ons land kennen we niet zoals in Frankrijk een figuur als Jacques Attali (°1943, Algiers) – één van de top-100 public intellectuals in de wereld, al jong staatsraad en vertrouweling van Mitterrand, Europees bankier, socialistisch politicus en internationaal actief in microkrediet, verbonden aan het weekblad L’Express, schrijver van meer dan vijftig boeken, studies op politiek en economisch gebied, essays, biografieën (Pascal, Marx, Gandhi), toneelstukken, romans, memoires, en nu onlangs een meeslepende nieuwe biografie: Diderot, ou le bonheur de penser (Paris: Fayard, 2012).

Diderot (1713-1784): alzijdig philosophe, dirigent van de duizend medewerkers van de Encyclopédie, de Wikipedia van de Verlichting; zelf een eminent wetenschapper die uitblonk in wiskunde en biologie, Grieks en Engels las als weinigen, en zeer goed zijn klassieken kende; schrijver van sprankelende liefdesbrieven en de beste wijsgerige dialogen sinds Plato; een speelse geest met een onuitputtelijk oeuvre, literair experimentator, satiricus, surrealist en postmodernist avant la lettre, alles als met een pauwenveer geschreven; grondlegger van de kunstkritiek en de esthetica; kampioen van het begrip énergie waarmee de 18de eeuw in het spoor van Lucretius het nieuwe biologisch wereldbeeld heeft ingeluid van onze eigen tijd; atheïst, materialist, determinist, en tegelijk – zoals Jonathan Israel heeft laten zien – radicaal politiek denker, Verlichtingsdemocraat, antikoloniaal, anti-slavernij en anti alle monopolies  - een vrijdenker zonder wie wij te weinig begrijpen van het humanisme van Goethe en Hegel, Humboldt en Marx, Nietzsche en Freud.

Bij Diderot haal ik als onderzoeker mijn inspiratie voor de toekomst. Want hij leert ons dit: er zijn geen geesteswetenschappen; er is alleen goed onderzoek, en wat daarvoor nodig is: vrijheid van onderzoek.

Gebruik dus je verstand. Zoals in Kader Abdolah’s recente Zeesla en de lepels van Alice (2012), een bundel interviews met onderzoekers en uitvinders – of die zich nu bezighouden met robots die gedichten maken, of met een fabriek die in India voor een miljoenenmarkt chocoladeletters in het Hindi gaat maken (bedacht in het Rotterdam van Erasmus, die vijfhonderd jaar eerder al eetbare letters inzette bij het leren lezen en schrijven), of met het meten van afstanden tussen talen, en nog vele andere vernuftige zaken meer.

En stel vragen. Net als in De Taalcanon (2012) van Marianne Boogaard en Mathilde Jansen. Met de vijftig dimensies van taal die hun boek belicht, legt het de basis voor het taalonderzoek van de toekomst. Verplichte kost dus voor elke zichzelf respecterende bioloog, ingenieur of econoom. En ook voor een hersenonderzoeker als Dick Swaab, in wiens Wij zijn ons brein (2010) maar weinig interessants te vinden is over taal en taalgedrag – toch het menselijkste van al onze vermogens.

In 1959 signaleerde C.P. Snow dat er in de wereld van de wetenschap Two Cultures zijn,

de geesteswetenschappen tegenover de exacte. Tegenwoordig lijkt deze scheiding een vaststaand gegeven, maar zij is misleidend en schadelijk. Want zo krijg je dat er bij ons geen Attali is die met zijn Diderot opkomt voor onze intellectuele cultuur.

Waar het werkelijk om gaat, of je nu frisist bent, historicus of antropoloog, op welk gebied ons onderwerp ook ligt, we worden alleen beter van goed onderzoek, gedreven – als Diderot – door nieuwsgierigheid, speurzin, discipline en discussie, vakkennis, relevante verzamelingen en steeds nieuwe technieken, vrijheid, verbeelding en kritische zin – waarheen die ons maar voeren.

Vroeger heette dit: academische vrijheid.

Dat was een groot goed in onze intellectuele cultuur.

En dat is wat wij hier in Nederland nu aan de universiteiten en in de wetenschap bijzonder hard nodig hebben.


Andere bijdragen in Nederlandse Letterkunde, Samenwerken binnen de geesteswetenschappen