HET Nederlands bestaat alleen in ons hoofd

Professor Dr. Leonie Cornips & Dr. Vincent de Rooij
Onderzoeker variatielinguïstiek en bijzonder hoogleraar taalcultuur in Limburg & Assistent-professor aan afdeling Sociologie en Antropologie
Meertens Insituut, Universiteit van Maastricht & Sociologie en Antropologie, Universiteit van Amsterdam

Het proces van mondialisering heeft oude vertrouwde concepten en kaders in de taalkunde, sociolinguïstiek en linguïstische antropologie op losse schroeven gezet. En dat is maar goed ook. De theoretische taalkunde verricht vooral onderzoek naar de competentie van de zogenaamde ideale spreker. Maar een ideale spreker bestaat in werkelijkheid niet. Niemand is eentalig en spreekt van wieg tot graf onder alle omstandigheden hetzelfde, ongeacht met wie, of wat hij beoogt. Dit ideale Nederlands bestaat alleen in ons hoofd. Taalkundigen proberen in grammatica’s en woordenboeken dit ideale Nederland te verankeren, af te perken en te beschrijven met regels en woorden. Dit Nederlands zien we als deel van ons hogere cultuurgoed: het symboliseert beschaving en vraagt aandachtige verzorging en cultivering via het onderwijs.

Mondialisering echter, heeft Nederland, en gebieden elders in de wereld, recentelijk ingrijpend en zichtbaar veranderd in intensiteit, schaal, grootte en onvoorspelbaarheid van culturele en talige ontmoetingen tussen mensen. Dit heeft grote gevolgen voor processen van identiteitsvorming. In die processen van identiteitsvorming is taal niet slechts een middel om cultuur te produceren en te reproduceren maar ook een middel om groepsbinding te beleven. In de sociolinguïstiek en linguïstische antropologie hebben zich, door het proces van mondialisering te proberen te begrijpen en te duiden, grote theoretische ontwikkelingen voorgedaan. Door economische, culturele, talige, sociale en politieke veranderingen zijn vertrouwde concepten in de studie van taalvariatie verdwenen. Een concept als taalgemeenschap dat sterk gebaseerd is op het idee dat een geografisch af te bakenen groep mensen, dezelfde normen en kennis van taalgebruik deelt, is onhoudbaar gebleken. Dit geldt ook voor de aanname dat het taalgedrag van sprekers een simpele weerspiegeling zou zijn van aan hen toegeschreven sociale kenmerken zoals leeftijd, gender, opleiding, herkomst en etniciteit. Ook een concept als ‘ABN’ dat men vanzelfsprekend als de hogere, pure, mooie, goede en beschaafde vorm van het Nederlands beschouwt, is achterhaald. In feite laat een kritische analyse van de ideologische basis van dit denken over taal zien, dat het ‘ABN’ slechts een van de vele varianten is van wat we onder Nederlands kunnen verstaan.

De meest veelbelovende ontwikkeling in de taalkunde is dat zij zich als wetenschap steeds meer tot sociale theorievorming zal verhouden waarin hoe taal gebruikt wordt voorop staat met een kritisch gebruik van methoden binnen de sociale wetenschappen. Die zich vernieuwende taalkunde zal dan steeds beter in staat zijn om ontwikkelingen in de samenleving kritisch te beschrijven en te duiden (in plaats van vast te houden aan dat ideale Nederlands in ons hoofd). Zo zal deze heruitgevonden taalkunde in debatten over taalachterstand, schooluitval, burgerschap, cultuurbeleid, en het denken over diversiteit in scholen, van voorschool tot universiteit, openbaar bestuur, in bedrijven, en zorginstellingen kunnen participeren. In een wereld waarin mensen, talen, goederen, ideeën, en mediaproducten steeds minder aan plaats gebonden zijn, zal de taalkunde steeds beter het besef uitdragen dat sprekers handelende individuen zijn die op creatieve wijze van allerlei beschikbare talige middelen (tot welke taal dan ook gerekend) gebruik maken om zich ten opzichte van anderen te positioneren.


Andere bijdragen in Mondiale blik, Taalwetenschappen, Vermaatschappelijking