De Klassieken vergaan niet

Dr. Susanna de Beer
UD Latijnse taal en literatuur
Centre for the Arts in Society, Universiteit Leiden

Wat is, volgens u, de meest veelbelovende ontwikkeling in uw vakgebied?

Dat is al meteen een heel moeilijke vraag, waar op ik niet één twee drie een antwoord weet. Bijvoorbeeld omdat de vraag is: veelbelovend in welk opzicht? Maar eerder nog: wat is mijn vakgebied? Ik ben classica, maar houd me vooral bezig met de Latijnse literatuur van de Renaissance, zeg maar het Latijn van Petrarca, van Du Bellay, van Erasmus. Wat me vooral interesseert is de maatschappelijke functie die de Latijnse literatuur in deze tijd vervulde, zowel voor de schrijvers, als ook voor de lezers en de opdrachtgevers. Op welke manier werd literatuur gebruikt om bepaalde religieuze of politieke standpunten uit te dragen? Hoe beïnvloedde het ondersteunen van dichters de status van een vorst? Hoe werkten schrijvers, kunstenaars en architecten in de Renaissance samen om van de stad Rome weer het centrum van de wereld te maken? En waarom is en blijft de Oudheid daarbij nog zo lang het toonaangevende voorbeeld?

Al met al begeef ik me bij het beantwoorden van deze vragen op verschillende vakgebieden, van Klassieke Talen tot vroegmoderne geschiedenis, van literatuursociologie tot erfgoedstudies, van boekwetenschap tot kunstgeschiedenis. Misschien is wel de meest veelbelovende ontwikkeling dat het steeds normaler wordt om zulk interdisciplinair, of eigenlijk multidisciplinair onderzoek te doen, zowel voor individuele onderzoekers als in samenwerkingsverbanden – omdat daarmee het meest recht gedaan wordt aan de veelzijdigheid van de geschiedenis.

Hoe ziet u de toekomst van uw discipline?

Mijn discipline – de bestudering van de Latijnse literatuur – bestaat al zolang, dat ik ook nu niet vrees voor het voortbestaan ervan, maar ik maak me wel zorgen om de manier waarop het onderzoek nu gestuurd wordt. Steeds meer moeten we de maatschappelijke waarde van ons onderzoek kunnen aantonen. Het klinkt zo vanzelfsprekend en terecht, maar in praktijk blijkt het vaak lastig om een directe relatie tussen geesteswetenschappelijk onderzoek en direct maatschappelijke nut te leggen. Wij lossen geen problemen op, maar volgen onze nieuwsgierigheid. Vaak blijkt later pas wat daarvan de waarde is.

Als je de geschiedenis van ons vak bekijkt dan zie je dat de bestudering van de Klassieken eigenlijk altijd door actuele vragen is beïnvloed, maar dan heb je het wel over veel langere ontwikkelingen die voor de onderzoekers in die tijd zelf misschien niet eens zo duidelijk waren. Laat onderzoekers hun vrije gang gaan, en ze weerspiegelen als vanzelf de tijdsgeest. Daar komen we in de toekomst ongetwijfeld weer achter.

Wat is het belang van de geesteswetenschappen?

Allerlei antwoorden zijn daar de afgelopen tijd op geformuleerd, bijna altijd als verdediging tegen de aanname dat de geesteswetenschappen geen belang zouden hebben – of in ieder geval minder belang dan de exacte of sociale wetenschappen. Er is betoogd dat de geesteswetenschappen in de geschiedenis een niet te overschatten rol hebben gespeeld, dat het economische rendement in vergelijking met andere wetenschapsgebieden zeer aanzienlijk is, dat het belang van de geesteswetenschappen niet ligt in welvaart, maar in welzijn. Hoewel ik het daar over het algemeen mee eens ben, denk ik dat ik het belang van de geesteswetenschappen eigenlijk alleen kan beoordelen voor mezelf. Voor mij betekenen de geesteswetenschappen vooral een voortschrijdend inzicht in wie wij mensen zijn en waar wij vandaan komen. In de geschiedenis en de literatuur zie je vaak dezelfde ideeën keer op keer terugkomen omdat ze voor nieuwe generaties nog steeds of opnieuw relevant blijken te zijn. Aan de andere kant tonen de veranderingen het enorme aanpassingsvermogen en de enorme inventiviteit van de mens. Het bestuderen van deze processen biedt mij – naast een enorme bron van creativiteit, plezier en fascinatie – de nodige nuance en het nodige tegenwicht tegen al te kortzichtige en vluchtige ideeën in het heden. Als dat ook voor anderen zo is – en als ik daar met mijn werk een beetje aan kan bijdragen – ligt daar misschien wel het belang van geesteswetenschappen?


Andere bijdragen in Samenwerken binnen de geesteswetenschappen