Op naar een paradigma van erkenning

Professor Dr. Paul Cobben
Hoogleraar Moderne en hedendaagse filosofie
Wijsbegeerte, Tilburg University

Het belang van geesteswetenschappen en met name filosofie in een geglobaliseerde wereld is overduidelijk. In een wereld waarin vele culturen voortdurend met elkaar geconfronteerd worden, moet de vraag gesteld worden wat deze culturen bindt. Het antwoord op deze vraag kan natuurlijk niet vanuit een bepaalde cultuur gegeven worden, maar vraagt om een positie die waarlijk universeel is. Dit zoeken naar een universele positie, het stellen van de meest fundamentele vragen die er steeds op uit zijn elke situationele gebondenheid te overwinnen, karakteriseert het eigen domein van de filosofie.

Het lijkt niet moeilijk om de twee pijlers te identificeren waarop de huidige geglobaliseerde wereld berust. De eerste pijler bestaat uit de notie van universele mensenrechten. Alhoewel de operationalisering van mensenrechten natuurlijk aan discussie onderhevig is, drukken zij in ieder geval de erkenning uit dat ieder mens het recht heeft op zijn eigen cultuur. In die zin overstijgen ze ten principale elke culturele bepaaldheid. De tweede pijler bestaat uit de wereldmarkt. Via de wereldmarkt zijn de mensen wereldwijd met elkaar verbonden via de “zakelijke” wetten van de economie. De wereldmarkt lijkt verbonden te zijn met een technologische ontwikkeling die indifferent is voor de verschillen tussen culturen.

Het is  echter de spanning tussen deze beide pijlers die bepalend is voor de toekomst van onze wereld. De wereld waarin de mensenrechten centraal staan vraagt om menselijke autonomie. Alleen dan kan de verwerkelijking van deze rechten gegarandeerd worden. Een autonome wereld is tevens een duurzame wereld, een wereld die niet geconfronteerd wordt met de grenzen van haar autonomie. Maar juist deze duurzaamheid lijkt ondermijnd te worden door de dynamiek van de vrije markt die inherent verbonden lijkt met schaalvergroting van productie en technologie.

De eenzijdige rationaliteit van markt en productie wordt in het moderne denken gethematiseerd als “Wille zur Macht”, of als instrumentele rede. Volgens Marx zijn de wetten van de vrije markt niets anders dan de voortzetting van de wetten van natuur, maar dan in een maatschappelijke vorm. De spanning tussen de beide pijlers van onze wereld wordt daarom in de filosofie uiteindelijk gearticuleerd als de spanning tussen autonomie en heteronomie.

In reactie op de heteronomie van markt en productie is door de tweede en derde generatie van de Frankfurter Schule (Habermas, Honneth) een paradigma van de “erkenning” ontwikkeld, een paradigma dat de autonomie moet redden door een begrip van rede te ontwikkelen waarin niet de beheersing van de natuur centraal staat, maar de communicatie tussen personen. Deze communicatieve rede blijft echter onmachtig tegenover de ontwikkeling van wetenschap en technologie. De toekomst van de filosofie ligt daarom in een paradigma van de “erkenning” die de heteronomie van wetenschap en techniek niet uitsluit, maar insluit.

Als de toekomst van de filosofie ligt in een paradigma van de “erkenning” waarin de innerlijke samenhang van autonomie en heteronomie begrepen wordt, dan is dat een toekomst die lering kan trekken uit de grote denkers van de moderniteit: Kant, Hegel en Marx. Zij waren het al die de fundamentele eenheid van heteronomie en autonomie tot de kern van hun filosofische project maakten. De toekomst van de filosofie ligt in de uitwerking van dit project voor de huidige, geglobaliseerde samenleving.


Andere bijdragen in Alfa en bèta worden één, Mondiale blik, Samenwerken binnen de geesteswetenschappen, Wijsbegeerte