De spagaat van de filosofie

Professor Dr. René Boomkens
Professor sociale en culturele filosofie
Wijsbegeerte, Rijksuniversiteit Groningen

Wat is de meest veelbelovende ontwikkeling in mijn vakgebied?

Mijn vakgebied, de filosofie, verkeert in een spagaat. Onder druk van het overheidsbeleid ten aanzien van wetenschappelijk onderzoek en van de internationale druk op universiteitsbesturen om vooral te investeren in ‘toponderzoek’, ‘excellentie’, e.d., bestaat alom de neiging vooral te investeren in ‘veilig’ onderzoek dat het goed doet in de beperkte werkelijkheid van enkele Angelsaksische ‘toptijdschriften’. Die tijdschriften worden alleen door vakgenoten gelezen, en hebben geen enkele uitstraling naar andere disciplines of naar het publieke debat. Angelsaksische (lees: Amerikaanse) issues domineren.

Dat is de ene kant van de ontwikkeling. Aan de andere kant zijn filosofen in Nederland nog nooit zo invloedrijk geweest in het publieke debat, als auteurs maar ook als vormgevers van het debat op de achtergrond, zoals bijvoorbeeld Sjoerd de Jong of Rob Wijnberg via de NRC. Auteurs als Stine Jensen, Coen Simon, Marli Huijer, Ger Groot, Joke Hermsen, Joep Dohmen, Dick Pels, Hans Achterhuis, de gebroeders Meester, en vele anderen, drukken meer dan ooit tevoren hun stempel op het publieke debat, en bovendien over de meest uiteenlopende thema’s, van politiek tot privéleven, van media tot het alledaagse bestaan.

Het gaat hier vooral om auteurs (van boeken, columns, essays, et cetera) die het product zijn van de ‘genereuze’ jaren tachtig en negentig, toen filosofie nog een vakgebied was dat het denken een grote experimenteerruimte bood. Die ruimte staat nu onder druk, filosofie wordt meer en meer gereduceerd tot een ‘reguliere wetenschappelijke discipline’, die simpelweg aan de harde internationale regels op het gebied van publicatiebeleid en outputmetingen wordt onderworpen. Dat betekent: houd op met schrijven in het Nederlands, publiceer geen boeken, maar beperk je tot overzichtelijke artikelen voor internationale toptijdschriften. Nederlandse tijdschriften, wetenschappelijk of niet, zijn sowieso taboe. Over tien jaar zijn de filosofen afwezig in het publieke debat in Nederland.

Wat is de toekomst van mijn discipline, de filosofie?

Als de toekomst van mijn vakgebied, de filosofie, simpelweg afhankelijk is van het huidige overheids- en universitaire beleid, dan verdwijnt het vakgebied en volgt het de route die de ‘kleine’ talen als Portugees, Fins-Oegrisch of Scandinavisch al gingen of binnenkort zullen gaan. Beter: filosofie zal blijven bestaan, maar dan als een soort triest en hulpeloos technisch en methodologisch bijvak op het gebied van informatica, wiskunde, neurologie, psychologie en misschien ook nog economie.

Als de toekomst van de filosofie in de handen zou liggen van de studenten die ik de laatste jaren meemaak, ziet het er allemaal heel anders uit. Die studenten beschouwen filosofie als een soort vrijplaats voor het denken, niet als een wetenschap, maar juist als een tussenruimte tussen de wereld van de wetenschappen en die van de samenleving, als een plek waar niet kennis maar twijfel gekoesterd wordt. Dit is geen romantisering van de student, maar het resultaat van gesprekken met studenten over wat zij zich bij hun studie voorstellen. Studenten filosofie die het eerste jaar overleven, zijn niet op zoek naar zoiets als ‘de waarheid’, maar hebben de simpele behoefte geen enkele zogeheten waarheid voor lief te nemen. Het zijn voor alles individualisten, kritische geesten, sceptici, en bovendien zijn ze behept met een betrokkenheid op de meest uiteenlopende ‘grote kwesties’. Als het aan deze studenten zou liggen, blijft filosofie aanwezig in de publieke sfeer, blijft filosofie ook verwant met essayistiek, met ‘goed en beargumenteerd schrijven’, kortom met de traditie van invloedrijke publieke intellectuelen en wetenschappers als Bram de Swaan, Lolle Nauta, Jacques van Doorn, en al die andere academici die zich actief met de publieke zaak bemoeiden en tegelijk ook een tik van de filosofische molen gekregen hadden.

Als ik in de academische wereld om me heen kijk, overheerst het pessimisme. Als ik mijn studenten spreek, ben ik zonder enige twijfel een optimist.

Wat is de toekomst van de geesteswetenschappen?

Het doen van voorspellingen behoort niet tot de expertise van sociale en geesteswetenschappers. Arsenicum blijft altijd giftig, maar hoe giftig zijn de acties en opvattingen van xenofobe populistische partijen? Zijn ze wel giftig, of wellicht heilzaam voor de toekomst van onze democratie? Pluralisme en perspectivisme vormen de methodologische kern van de sociale wetenschappen en net zozeer van de geesteswetenschappen. Daar bovenop reflecteren de geesteswetenschappen ook nog op zichzelf: wat is ons nut, onze betekenis? Dat soort vragen zijn onmisbaar in een democratische cultuur, maar ze worden nauwelijks meer gesteld. Als de geesteswetenschappen enige expertise mogen claimen, dan wel die: het stellen van zelfkritische vragen. Wie of wat zijn we eigenlijk? Wat stelt onze expertise eigenlijk voor? Wat is onze ‘waarheid’ eigenlijk waard? Dat zijn onsympathieke en ongewenste vragen in een academische wereld die zichzelf graag neerzet als ‘corporate’, als partner in een wereld van grote ondernemingen, die waarheid en expertise met gemak ondergeschikt maken aan het bedrijfsbelang. De farmaceutische industrie is slechts het meest voor de hand liggende voorbeeld.

De geesteswetenschappen zullen niet worden weggevaagd. Ze zullen heel langzaam uitdoven. Dat proces is al jaren gaande. Wij geesteswetenschappers werken daar bewust of onbewust ook aan mee. We passen ons aan aan de nieuwe regels en voorschriften, die stuk voor stuk zeggen: wees geen geesteswetenschapper, maar gedraag je net zoals je natuurwetenschappelijke collega’s. Zo was het altijd al, maar nu is het officieel. Geesteswetenschappers mogen blijven bestaan, maar alleen als ze zich niet als geesteswetenschappers gedragen. Taalwetenschapper? Word neuroloog! Psycholoog? Word neuroloog! Ethicus? Word bioloog! Kunsthistoricus? Neem ontslag!

‘Alles van waarde is weerloos’, zei Lucebert. Hij had ongelijk. Op grond van het huidige beleid jegens de geesteswetenschappen is het beter zijn uitspraak te herzien:

‘Alles van waarde is waardeloos’.


Andere bijdragen in Vermaatschappelijking, Wijsbegeerte