De onvanzelfsprekendheid van onze wereld

Professor Dr. Klaas Berkel
Professor van vroegmoderne en moderne geschiedenis
Geschiedenis, Rijksuniversiteit Groningen

Wetenschap die uit publieke middelen wordt betaald, moet publieke doelen dienen. Individuele onderzoekers kunnen daarnaast particuliere doeleinden nastreven (eer bewijzen aan God, najagen van schoonheid, het bevredigen van de eigen nieuwsgierigheid, het voorzien in het eigen levensonderhoud), maar als systeem dient de wetenschap een maatschappelijk doel. Dit doel hoeft  niet in elk individueel onderzoek meteen evident te zijn, maar als geheel moet de wetenschap (of een groot onderdeel daarvan) wel haar maatschappelijke relevantie kunnen aantonen om op blijvende financiering te kunnen rekenen.

Het (maatschappelijk) doel van publiek gefinancierde wetenschap laat zich het best omschrijven als ‘bouwen aan een betere wereld’. Voor de natuurwetenschappen, de biomedische wetenschappen en een deel van de sociale en gedragswetenschappen is niet moeilijk aan te tonen dat zij daaraan bijdragen. Het bedwingen van een bepaalde ziekte, het ontwikkelen en benutten van nieuwe materialen, het bevorderen van sociale cohesie, niemand zal ontkennen dat dat nuttige, zinvolle bijdragen van de wetenschap aan een betere wereld zijn. Voor de geesteswetenschappen ligt dat anders en de crisis waarin de geesteswetenschappen al lange tijd verkeren (niet alleen in Nederland, ook in andere delen van de wereld, inclusief de Verenigde Staten) bestaat er juist in dat deze wetenschappen moeite hebben hun maatschappelijke relevantie aannemelijk te maken. Er is een afnemende bereidheid bij maatschappelijke groeperingen om geld vrij te maken voor geesteswetenschappelijk onderzoek (zelfs geesteswetenschappelijk onderwijs staat onder druk) en dat heeft er zeker mee te maken dat de relevantie van dat onderzoek niet duidelijk is. Als zelfs het in standhouden van niet-rendabel cultureel erfgoed al problematisch is, wat kan men dan bij het onderzoek verwachten?

Maar wat is ‘een betere wereld’? Het is lange tijd bon ton geweest om te doen alsof dat een vraag is waarop geen algemeen aanvaard antwoord mogelijk is; per tijd, per groep, per individu wordt daar anders over gedacht. Hooguit kan via de politiek een aanvaardbaar compromis voor worden gevonden. Toch is de situatie niet hopeloos. Het gedrag van mensen maakt duidelijk dat de wereld die wij in het Westen kennen (Noord-Atlantische regio) voor velen, aan zichzelf overgelaten, nastrevenswaardig is. Die wereld is gebaseerd op vier pijlers: vrijheid, democratie, rechtstaat en bestaanszekerheid. Het ene land (of de ene groep) legt meer accent op vrijheid, het andere meer op bestaanszekerheid of de rechtstaat, maar alle politieke geschillen (in Nederland, maar ook daarbuiten in de westerse wereld) bewegen zich binnen de door deze vier pijlers, die alle noodzakelijk zijn, aangegeven grenzen.

Voor de wetenschap der geschiedenis (mijn vakgebied) volgt hieruit dat haar missie is het bestuderen en ophelderen van de ontstaansgeschiedenis en de ontstaansvoorwaarden van de vier genoemde pijlers van de westerse wereld, ten einde duidelijk te maken dat deze constellatie niet vanzelfsprekend is, in hoge mate contingent is en derhalve ook zou kunnen verdwijnen – als er niets aan onderhoud, verbetering en bescherming wordt gedaan. Dat hoeft niet eenzijdige concentratie op de westerse geschiedenis in te houden – door comparatieve geschiedschrijving wordt het eigen karakter van de westerse wereld alleen maar scherper omschreven en kan ook de contingentie van het ontstaan van onze wereld beter zichtbaar gemaakt worden – maar het bestuderen van niet-westerse culturen ‘om zichzelfs wille’ dient geen publiek doel.

Toegespitst op de wetenschapsgeschiedenis, mijn specialisme, houdt het bovenstaande in dat de missie van dit vakgebied gelegen is in het ophelderen van de bijdrage van de wetenschap (natuurwetenschap én geesteswetenschap, en alles daartussen) aan het ontstaan van deze wereld van vrijheid, democratie, rechtstaat en bestaanszekerheid. Deze wereld is niet ontstaan dankzij de wetenschap, maar op zeker moment heeft de wetenschap zich wel op dat proces ingehaakt en haar een bepaalde richting ingestuurd of ondersteund. Cruciaal is in dit opzicht de periode 1600-1900 geweest, toen de natuurwetenschap een maatschappelijk systeem werd dat in steeds grotere mate ook door de staat werd betaald. De geesteswetenschappen, die in dezelfde eeuwen hun eigen bijdrage hadden geleverd, haakten daar al spoedig bij aan. Wetenschap is sindsdien een belangrijk instrument geworden voor maatschappelijke ontwikkeling en bepaalt in toenemende mate hoe wij over onszelf en de wereld denken. Kernthema’s voor onderzoek zijn dan ook: wetenschap en de secularisering van het denken, financiering van wetenschap (civiel, militair, particulier), het debat over de verhouding tussen natuur en cultuur, het ontstaan van het wetenschappelijk systeem, kennisbenutting – steeds met het oog op de verduidelijking van de onvanzelfsprekendheid en kwetsbaarheid van onze door kennis en techniek gestempelde wereld.

Methodische problemen en ontwikkelingen (ook de recente hype van de e-humanities) zijn in dit opzicht bijkomende kwesties. Methoden zijn nooit de belangrijkste uitdagingen van een wetenschap, aangezien de hoofdvraag niet is ‘hoe?’ maar ‘waartoe?’ Zolang er geen consensus is over het ‘waartoe’ is de discussie over het ‘hoe’ betrekkelijk ‘academisch’, in de slechte zin van het woord.  Het zou aan te bevelen zijn als (langs welke weg dan ook en door wie uitgegeven dan ook) een soort Nationale (voor mijn part Europese) Verklaring van de Maatschappelijke Relevantie van de Geesteswetenschap zou worden opgesteld, waar iedere onderzoeker altijd naar kan verwijzen als het er om gaat de zinvolheid van zijn of haar (voorgenomen) onderzoek duidelijk te maken. In plaats van de gezochte antwoorden op de vraag naar valoratiemogelijkheden die tegenwoordig bij elk NWO aanvraag moeten worden gegeven, kan dan een toetsbare relatie gelegd worden tussen voorgenomen onderzoek en algemeen aanvaarde doelstellingen van het (door de overheid gefinancierde) geesteswetenschappelijke onderzoek.


Andere bijdragen in Alfa en bèta worden één, Digital humanities, Geschiedenis, Vermaatschappelijking