“Hun hebben dat gezegd”

Professor dr. Hans Bennis
Directeur Meertens Instituut en bijzonder hoogleraar Taalvariatie
Meertens Instituut en Universiteit van Amsterdam

Een belangrijke ontwikkeling in de Geesteswetenschappen van dit moment is de introductie van geavanceerde technologie die het onderzoekers mogelijk maakt om de empirische reikwijdte van hun onderzoek aanzienlijk te vergroten en onderzoeksvragen te beantwoorden die in het nabije verleden niet of nauwelijks konden worden beantwoord. Laat ik u twee concrete voorbeelden geven van onderzoek dat ik binnen een paar jaar hoop te kunnen doen op het gebied van taalverandering en taalvariatie.

  1. in de 19e eeuw werd in het Nederlands in Nederland het voornaamwoord gij in vrij korte tijd vervangen door u, een verandering die overeenkomsten vertoont met de huidige situatie waarin zij mogelijk vervangen gaat worden door hun (“Hun hebben dat gezegd”). In de 19e eeuw was er veel verzet tegen ‘U in den eersten naamval’ (bijv. Jacob van Lennep). Om te begrijpen hoe zo’n verandering plaats vindt, dat wil zeggen welke linguïstische en sociale factoren daarbij een rol spelen en in welke verhouding die factoren van belang zijn, zou ik uit kranten, tijdschriften en boeken uit de 19e eeuw de opkomst van U en de ondergang van gij willen kunnen volgen, niet alleen in de standaardtaal, maar ook in de dialecten. De hoeveelheid materiaal die daarvoor doorzocht moet worden is duizelingwekkend en slechts met geautomatiseerde zoekprocedures te benaderen. Die zoekmachines moeten tevens in staat zijn om grammaticale functies te onderscheiden (onderwerp versus voorwerp). Het NWO-groot-programma Nederlab hoopt het voor het beantwoorden van deze vraag noodzakelijke materiaal en de benodigde zoekfunctionaliteit bij elkaar te brengen. Als we daar recent ontwikkelde parsingsmachines aan toevoegen, zouden we zicht kunnen krijgen op dit soort longitudinale processen in taalverandering
  2. in de dialecten van het Nederlands zien we dat de taalvariatie de laatste decennia sterk afneemt. We weten dat over een periode van eeuwen de verbale flectie (werkwoordsvervoeging) afneemt in Germaanse talen. Een zelfde proces zien we op dit moment in Nederlandse dialecten. De exacte aard van dit proces is onbekend. Als we in staat zijn om grote hoeveelheden dialectgegevens die op het Meertens Instituut aanwezig zijn vanaf het midden van de vorige eeuw, zowel in tijd als in ruimte op vervoeging van de werkwoorden te doorzoeken, wordt het mogelijk patronen te ontdekken in het proces van deflectie. De omvang en de aard van de data (deels audio, deels tekst, deels databases) maakt het onmogelijk om dat zonder geavanceerde technologie in voldoende detail te realiseren. Een combinatie van zoekfunctionaliteit die binnen het Roadmap-Infrastructuurproject CLARIN is ontwikkeld en het hierboven genoemde programma Nederlab, zou het mij mogelijk moeten maken het proces van deflectie te doorgronden.

Ik zie een prachtige toekomst voor de taalwetenschappen omdat we in staat zullen zijn om de microstructuur van taal steeds beter te begrijpen met behulp van de bovenbeschreven technologie. Daarnaast zie ik interessante ontwikkelingen in de richting van de cognitieve aspecten van taal. Naarmate we het brein beter doorgronden, zullen we ook steeds beter in staat zijn om de uniek menselijke eigenschap van taal te begrijpen als een product van complexe processen in onze hersenen. Ook op dat terrein gaan allerlei interessante projecten van start (o.a. het binnenkort startende NWO-Horizon project Knowledge & Culture) die onze kennis van het wezen en de bouwstenen van het menselijk taalvermogen aanzienlijk zullen doen toenemen.

De vraag naar het belang van de geesteswetenschappen is voor een geesteswetenschapper een wonderlijke vraag. Het simpele antwoord is een vraag: zijn wij wetenschappers niet op aarde om te proberen de complexe werkelijkheid te begrijpen? De op het eerste gezicht nogal chaotische werkelijkheid van de geesteswetenschapper is complexer dan die van de natuurwetenschapper. Dat maakt de opdracht om die werkelijkheid te doorgronden zeer moeilijk, maar ook zeer boeiend. Het belang van ons werk is het bijdragen aan inzichten in het begrijpen van de producten van de menselijke geest, en in mijn geval in het doorgronden van de aard van taal.

Uw vraag lijkt veeleer te worden gesteld vanuit een visie waarin wetenschap het doel heeft om ‘nuttig’ te zijn, vroeger ‘maatschappelijke relevantie’ geheten, tegenwoordig aangeduid met termen als ‘valorisatie’ en ‘innovatie’. Ook hier dragen geesteswetenschappers van diverse pluimage op allerlei terreinen bij, maar aangezien het wat mij betreft gaat om een secundair belang, heb ik weinig behoefte om daar op dit moment verder op in te gaan.


Andere bijdragen in Alfa en bèta worden één, Digital humanities, Taalwetenschappen