Van systeembenadering naar procesbenadering

Professor dr. Arie Verhagen
Hoogleraar Cognitieve linguïstiek
University Centre for Linguistics, LUCL Nederlands, Universiteit Leiden

1) Wat is, volgens u, de meest veelbelovende ontwikkeling in uw vakgebied?
2) Hoe ziet u de toekomst van uw discipline?
3) Wat is het belang van de geesteswetenschappen? 

Mijn vakgebied is de taalwetenschap, dus daar zal ik mij voor de eerste twee vragen op richten; bij vraag 3 richt ik mij – uiteraard – op de geesteswetenschappen in het algemeen. Daarbij wil ik ook proberen uit te leggen waarom de geesteswetenschappen eigenlijk beter herdoopt zouden kunnen worden tot “cultuurwetenschappen”.

De meest belovende ontwikkeling in de taalwetenschap is mijns inziens de overgang van een systeembenadering van taal naar een procesbenadering, met daadwerkelijk taalgebruik als het meest fundamentele object van onderzoek, meer dan abstracte taalregels. Dit is natuurlijk een erg korte en abstracte aanduiding, dus dit behoeft de nodige toelichting en concretisering.

De 20e eeuw is grotendeels de eeuw van het structuralisme. De Saussure (1916) lanceerde als reactie op een crisis in de historische taalwetenschap van zijn dagen het idee dat een taal een systeem van relaties tussen tekens is (vergelijk geld: de waarde/betekenis van een element, zeg een munt van 2€, is in feite z’n plaats in het systeem – het geheel van relaties dat het tot alle andere elementen onderhoudt), en dat dat het eigenlijke object van de taalkunde is. Daarmee introduceerde hij niet alleen dit idee zelf, maar ook enkele consequenties ervan, in het bijzonder deze twee:

- het systeem bestaat los van de geschiedenis; in de taalkunde: een strikte scheiding tussen de wetenschap van de taal als systeem (synchronie) en die van de taalgeschiedenis (diachronie);

‑ het systeem (‘langue’) bestaat los van het gebruik ervan (‘parole’) en moet/kan ook los daarvan bestudeerd worden.

Dit leverde een zeer vruchtbaar onderzoekskader op voor allerlei onderdelen van de taalkunde, totdat Chomsky in 1957 liet zien dat het tegen fundamentele beperkingen aanloopt op het gebied van de zinsbouw (syntaxis). Hoewel de vernieuwing die Chomsky introduceerde in veel opzichten radicaal was, handhaafde hij beide genoemde consequenties: autonomie van het taalsysteem ten opzichte van de geschiedenis en ten opzichte van het taalgebruik. Hij fundeerde die autonomie wel anders, namelijk in de aanname van universele, aangeboren grammatica-kennis (die per definitie a-historisch is en onafhankelijk van ervaring met taalgebruik).

Chomsky’s onderzoeksprogramma was op zijn beurt ook heel vruchtbaar, maar tegen het eind van de 20e eeuw begon het zelf ook weer meer en meer op problemen te stuiten. Twee belangrijke gebieden waren de toenemende kennis van de radicale diversiteit van talen, ook in grammaticale structuren (zie bijvoorbeeld het position paper van Nicholas Evans & Stephen Levinson in Behavioral and Brain Sciences van 2009), en het toenemende inzicht in de enorme hoeveelheid min-of-meer-vaste taalpatronen (‘idiomatische constructies’) die we in ons hoofd hebben opgeslagen, en die op ervaring gebaseerd moeten zijn: een leervermogen dat zulke deel-regelmatigheden aan kan, is zeker ook in staat algemenere regels te leren, waarmee de grondslag aan het idee van aangeboren grammatica-kennis ontvalt. Enkele namen van onderzoekers die van doorslaggevend belang zijn (geweest) bij deze ontwikkeling: Joan Bybee, Adele Goldberg, Ronald W. Langacker, Michael Tomasello (zie mijn artikel in Nederlandse Taalkunde van 2005 voor een Nederlandstalig overzicht).

In de laatste 10 à 15 jaren van de 20e eeuw leidde een en ander tot wat de ‘usage-based’ benadering van taal is gaan heten, en daarmee worden voor het eerst sinds De Saussure de principiële scheidslijnen tussen taalgebruik en taalsysteem, en tussen synchronie en diachronie doorbroken; aan het begin van de 21e eeuw heeft deze ontwikkeling zich sterk doorgezet. Talen zoals we die nu tegenkomen, worden gezien als producten van processen van co-evolutie van breinen en culturen; net zoals een biologisch systeem dat we nu tegenkomen, alleen maar volledig begrepen kan worden als enerzijds voortkomend uit eerdere phylogenetische processen en anderzijds als functionerend in interactie met een specifieke omgeving, kan een taalsysteem alleen maar volledig begrepen worden als enerzijds voortkomend uit taalgebruik in het verleden (werk van Heine, Traugott, en anderen aan ‘grammaticalisatietheorie’) en anderzijds als functionerend in interactie met breinen die taal leren en verwerken (werk van Kirby, Christiansen en anderen) en met kenmerken van communicatieve taken (o.a. Levinson, mijzelf; zie ook het werk van Luc Steels m.b.v. robots). Dat is de zin waarin taalgebruik in de moderne opvatting primair is (namelijk verklarend, causaal) ten op zichte van een taalsysteem (‘het taalsysteem van vandaag is het taalgebruik van gisteren’ – het eerste verdwijnt dus niet van de onderzoeksagenda!).

Dit co-evolutionaire perspectief brengt ook een nieuwe visie op de relatie tussen taalwetenschap en biologie met zich mee. Niet eentje waarbij de veronderstelde biologische evolutie van de menselijke soort het huidige gedrag vrijwel determineert, maar eentje waarbij algoritmische processen van variatie en selectie zowel op biologisch als op cultureel niveau werkzaam zijn (‘culturele evolutie’; zie o.a. het fundamentele werk van Richerson en Boyd), en op complexe manieren op elkaar inwerken. Ik voorzie nog spectaculaire ontwikkelingen op dit gebied, zonder dat die zich in detail laten voorspellen natuurlijk, maar waarbij de computer wel op twee manieren een belangrijke rol speelt: 1) door het algoritmische karakter van zowel biologische als culturele evolutie is het mogelijk om beide, èn hun interactie, met behulp van computermodellen te bestuderen, 2) door de digitalisering (van getranscribeerde gesproken taal en corpora van teksten) wordt onderzoek van grote hoeveelheden daadwerkelijk taalgebruik reëel uitvoerbaar. In zijn algemeenheid voorzie ik dus steeds meer verdwijnen van een scherp onderscheid tussen alfa en bèta: zowel theoretisch (integratie met biologische denkkaders) als methodisch (gebruik van wiskundige en computationele modellen).

3) Wat is het belang van de geesteswetenschappen?

Het belang van allerlei geesteswetenschappelijke disciplines varieert natuurlijk met die disciplines (allerlei aspecten van communicatie, cultuur en identiteit komen in gedachten), maar er is ook wel een zeker algemeen belang van ‘de’ geesteswetenschappen, dus laat ik mij daar nu toe beperken. De term “geesteswetenschappen” (vernederlandsing van Geisteswissenschaften) weerspiegelt de 19e-eeuwse opvatting dat taal, literatuur, kunst, godsdienst, geschiedenis ‘producten van de menselijke geest’ zouden zijn, en daarmee tot een wezenlijk ander kennisdomein zouden behoren dan de natuur. Eigenlijk kijkt niemand er nog echt zo tegenaan, maar op verschillende manieren leeft veel ervan nog steeds door, en ook in de wetenschap zelf ervaren velen ‘natuurwetenschappen’ en ‘geesteswetenschappen’ nog steeds als antoniemen (zie bijvoorbeeld de Van Dale). Maar die positie is fundamenteel onhoudbaar geworden. Ten eerste hebben veel dieren, en niet alleen onze naaste verwanten onder de primaten, gesofisticeerde cognitieve vermogens. Ten tweede is het idee van “de” menselijke geest een ongeoorloofde abstractie: alleen individuen hebben een brein/geest, maar die produceren van zichzelf geen taal of geschiedenis. Mensen zijn, biologisch gezien, wel bijzonder in die zin dat ze in hoge mate afhankelijk zijn van elkaar, en geneigd en bereid zijn tot coöperatie, ook met anderen dan verwanten. Het is die coöperatie-met-taakverdeling die de cultuur van een groep produceert: niet één individu produceert een taal, een verhaaltechniek, een kunstvorm, de geschiedenis, maar de interactie tussen meerdere samenwerkende individuen over generaties. De objecten van wat geesteswetenschappen heet, behoren allemaal tot cultuur in deze zin, en dat is een groepsverschijnsel, niet een individueel verschijnsel. Gegeven deze modernere inzichten zouden we dus ook beter over “cultuurwetenschappen” dan over “geesteswetenschappen” kunnen spreken.

Mensen construeren de niches waarin ze leven (vgl. een bever die een dam bouwt), door samen te werken (anders dan een bever die een dam bouwt). Doordat in een cultuur, met op zijn minst een gedeelde taal, kennis niet sterft met het brein, treedt er accumulatie van kennis op (Tomasello), dus culturele evolutie. Cultuur (geproduceerd door vorige generaties) levert instrumenten op waarmee individuen in de volgende generatie hun cognitieve (en uiteindelijk technische) vermogens kunnen ‘opvoeren’ (Dennett) zonder dat er biologische evolutie voor nodig is. Dat geeft een eerste algemeen belang aan van de wetenschappen die culturele verschijnselen bestuderen: ze verschaffen kennis over en inzicht in een cruciale verzameling van voorwaarden voor ons eigen bestaan op dit moment.

Cultuur, gebaseerd op samenwerking, is de belangrijkste factor in het succes van de menselijke soort. Maar voor individuen blijft samenwerking een risicovolle aangelegenheid, omdat het gepaard moet gaan met vertrouwen: dat de ander zijn aandeel zal leveren. Succesvolle culturen omvatten dan ook controlemechanismen (b.v. reputatie). Maar daar kan ook weer niet teveel energie en tijd in gaan zitten, want dan gaat het ten koste van de winst van de samenwerking/taakverdeling (denk aan bureaucratisering). Culturen ontwikkelen ook efficiënte middelen om de leden te leren de voordelen en risico’s van samenwerken-of-niet (en met wie) te onderkennen en af te wegen (denk b.v. aan verhalen). Elke cultuur is een samenstel van oplossingen voor het probleem van overleven in een context van zowel coöperatie als competitie. De geestes/‌cultuurwetenschappen bestuderen niet alleen de algemene factoren die aan de vorming van zulke oplossingen ten grondslag liggen, maar ook de verscheidenheid en voortdurende veranderlijkheid (geschiedenis) van menselijke groepen, hun talen en culturen; daarmee onderhouden ze ook een reservoir aan kennis over mogelijke oplossingen, (ver) voorbij de horizon van de eigen cultuur.


Andere bijdragen in Alfa en bèta worden één, Cognitieve linguïstiek, Digital humanities