Het gesprek van cultuur over zichzelf

Dr. Arie Steensel
Postdoc, Veni-onderzoeker Middeleeuwse urbane geschiedenis
Research Institute for History and Culture, Universiteit Utrecht

Wat is, volgens u, de meest veelbelovende ontwikkeling in uw vakgebied?

De meest veelbelovende ontwikkeling in de historische wetenschappen is de trend naar een grotere interdisciplinaire oriëntatie, zowel binnen de geesteswetenschappen als daarbuiten. De zogeheten culturele wending in de sociale en humane wetenschappen, die overigens al bijna een halve eeuw gaande is, is een eerste oorzaak van deze ontwikkeling. De gedachte dat cultuur constitutief is voor sociale relaties, identiteiten en instituties vindt in verschillende varianten gehoor onder geesteswetenschappers, maar ook onder sociologen, antropologen, politicologen en zelfs economen. Structuralistische benaderingen tot de maatschappij, politiek en economie worden tegenwoordig verbonden met analyses van sociaal-culturele praktijken, waarnemingen, ervaringen, handelingen, enzovoort, evenals hun symbolische en talige representaties. Een goed voorbeeld is het belang dat veel politicologen, sociologen en economen (samengebracht onder de paraplu van het new institutionalism) tegenwoordig hechten aan het samenspel tussen sociale regelsystemen – oftewel instituties – en de agency van individuen om politieke, sociale en economische ontwikkelingen te duiden en te verklaren. Hierdoor heeft een toenemend aantal sociale wetenschappers en economen vandaag de dag belangstelling voor het verleden. Er zou voorzichtig gesproken kunnen worden van een historisch wending. Dit blijkt duidelijk uit de tweede factor, namelijk de vele bestsellers die de langetermijnevolutie van mens, samenleving en natuur bestuderen. Als voorbeelden kunnen dienen Jared Diamond’s Guns, Germs and Steel (2007) of Daron Acemoglu en James Robinson’s Why Nations Fail (2012). Dergelijke studies geven een impuls aan historisch onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe methodologische benaderingen, al hebben historici pas laat de meerwaarde van dit type interdisciplinair onderzoek ingezien. De focus op nieuwe onderzoekthema’s leidt eveneens tot de ontwikkeling van nieuwe subdisciplines, zoals de digital humanities, maar heeft als keerzijde het verlies van kennis en technische vaardigheden in traditionele vakken.

Hoe ziet u de toekomst van uw discipline?

Op grond van de genoemde ontwikkelingen staat de geschiedwetenschap er goed voor. In het postideologische tijdperk is haar toekomst de wetenschappelijke bestudering van het verleden, waarvan de resultaten voor zeer diverse doeleinden van belang kunnen zijn. Wat betreft het voorbestaan van de discipline zijn er echter twee knelpunten, die nauw verbonden zijn aan de voortschrijdende marktwerking in de academische wereld en bedrijfsmatige organisatie van de universiteit. Ten eerste legt de organisatorische koppeling tussen onderzoek en academisch onderwijs een beperking op aan het personeelsbeleid. Het aantal hoogleraren en universitair docenten neemt af en de middelen ontbreken om te investeren in goede historici die hun onderzoek willen combineren met het geven van onderwijs. Dit probleem wordt versterkt door de financiële prikkel om het onderzoek vooral door goedkope jonge onderzoekers met flexibele contracten te laten verrichten, voor wie er uiteindelijk geen toekomst is aan de universiteit. Het financiële kortetermijnbelang prevaleert feitelijk over een duurzaam personeelsbeleid. Door de concurrentiestrijd tussen universiteiten wordt er bovendien meer waarde gehecht aan de kwantiteit van onderzoek en onderwijs dan aan geselecteerde kwaliteit. Als Nederland en Europa de kenniseconomie echt willen versterken, dan moet er een duidelijk perspectief worden geboden aan onderzoekers. Een tweede probleem is de zichtbaarheid van de geschiedwetenschap in Nederland. Het vergroten daarvan kan wellicht de bovenstaande problemen deels oplossen. Enerzijds zouden Nederlandse universiteiten actiever studenten moeten werven uit het buitenland door de aantrekkingskracht van de geboden opleidingen en voorzieningen te verbeteren. Anderzijds is het mogelijk om onderzoek en onderwijs verder te ontvlechten. Gezien het feit dat veel onderzoek al met externe middelen gefinancierd wordt, kan deze maatregel de slagkracht van onderzoeksinstituten om fondsen te verwerven vergroten. Een consequentie hiervan zou wel zijn dat het onderzoek sterker gestuurd wordt door externe partijen en programmatisch afgestemd op de wensen van de geldschieters. Zoals is voorspeld en in de praktijk blijkt, staat het ‘wie betaalt, bepaalt’-principe haaks op de idee van academische vrijheid als organisatieprincipe van wetenschap.

Wat is het belang van de geesteswetenschappen?

Allereerst moet opgemerkt worden dat het belang van de geesteswetenschappen niet bestaat, want dat zijn er meerdere al naar gelang de invulling die men aan het woord ‘belang’ geeft. Ter aanvulling op de wetenschappelijke betekenis van het onderzoek kan bijvoorbeeld de economische waarde van het onderwijs worden genoemd. Jaarlijks studeren er duizenden studenten af aan de geesteswetenschappelijke faculteiten, die in zeer diverse sectoren aan de slag gaan. De geesteswetenschappen scoren ook hoog als het gaat om efficiency in onderzoek en onderwijs: gemeten naar geïnvesteerde middelen en gegenereerde academische output doen ze het beter dan veel andere academische disciplines. Ten slotte wordt geesteswetenschappelijk onderzoek benut in discussies over maatschappelijke vraagstukken en is het van groot belang voor de sociaal-culturele sector. Toch is het veelzeggend dat deze vraag aan geesteswetenschappers wordt gesteld. Er ontbreekt namelijk een eenduidig antwoord op, ondanks de vele pleidooien voor de geesteswetenschappen die geschreven zijn. In zekere zin zijn de geesteswetenschappen als academische organisatie een mooi voorbeeld van exaptatie; ze kennen een geleidelijke verschuiving in functie. De intellectuele en ideologische onderscheidingen die ten grondslag lagen aan het ontstaan van de geesteswetenschappen (of humaniora) zijn in het licht van latere technologische en sociale ontwikkelingen niet langer houdbaar. De vraag is gerechtvaardigd of de geesteswetenschappen in hun huidige vorm zelf niet een historisch (en Westers) verschijnsel zijn. Als dat het geval blijkt te zijn, dan hebben de geesteswetenschappen alleen toekomst door zich te transformeren, bijvoorbeeld door het verband tussen het onderzoek dat ze genereren, en interdisciplinaire vraagstukken over maatschappelijke thema’s weer zichtbaar te maken. Om dit mogelijk te maken zouden academici uit de geesteswetenschappen een deel van hun energie en creativiteit moeten steken in het praktijkgericht maken en het communiceren van hun ideeën en onderzoeksresultaten. De maatschappelijke waarde van de geesteswetenschappen ligt uiteindelijk daarin dat ze een stem zijn in het gesprek dat de hedendaagse cultuur over zichzelf voert, naast die van onder meer de kunst, journalistiek en politiek. De academische stem hoeft niet de sterkste te zijn, maar is door haar methodologische benadering wel een onmisbare.


Andere bijdragen in Alfa en bèta worden één, Digital humanities, Geschiedenis, Mondiale blik, Samen met de gamma’s, Samenwerken binnen de geesteswetenschappen, Vermaatschappelijking