Globalisering in de kunstgeschiedenis

Professor dr. Gert Jan van der Sman
Hoogleraar Kunstgeschiedenis
Nederlands Interuniversitair Kunsthistorisch Instituut Florence, Universiteit Leiden

De meest veelbelovende ontwikkeling in de kunstgeschiedenis is de integratie van het materieeltechnisch onderzoek in de
kunsthistorische discipline. Natuurwetenschappelijk onderzoek levert
uiterst waardevolle informatie op over hoe kunstwerken zijn ontstaan. Toch staan
we nog maar aan het begin. Het technische onderzoek en het kunsthistorische
onderzoek zijn zelden in balans. Ik heb de afgelopen jaren iets te vaak pseudo-Van Eycks,
-Leonardo’s en -Rembrandts langs zien komen, waarbij nogal willekeurig met technische gegevens werd gegoocheld. Goed meten is niet genoeg. Goed kijken en contextualiseren zijn even belangrijk. Een volwaardige dialoog tussen bèta- wetenschappers en kunsthistorici, dat is de uitdaging voor de toekomst.

Voor de kunstgeschiedenis zie ik globalisering als de voornaamste
ontwikkeling. Azië en Zuid-Amerika zijn steeds heviger geïnteresseerd in
onze Westerse kunstgeschiedenis. In Japan trok de tentoonstelling
”Meesterwerken uit het Mauritshuis” zo’n 10.000 bezoekers per dag. Italië
oogst in China veel succes met een tentoonstelling over de glorie van de Florentijnse
Renaissance. Deze golf van belangstelling is een geweldige stimulans om de eigen horizon te verbreden. We worden aangespoord om het verhaal van de Westerse kunstgeschiedenis op nieuwe manieren te vertellen.

Belang van de geesteswetenschappen:
Kennisvermeerdering hoort, net als in de exacte en sociale wetenschappen,
in de geesteswetenschappen een doel op zich te zijn: nieuwe dingen ontdekken, inzichten ontwikkelen, publiceren.”Cultural interests” vormen een van de pijlers van maatschappelijk verkeer. Deze worden vanuit de wetenschap gevoed.


Andere bijdragen in Alfa en bèta worden één, Kunstgeschiedenis, Mondiale blik, Samenwerken binnen de geesteswetenschappen